Ook een blogger heeft recht op ironie

Kennelijk weten sommigen niet dat op internet ironie bestaat. En dan vind je al snel dat het herpubliceren van een haatzaaiende tweet hetzelfde is als haatzaaien, schrijft Bert Brussen.

Stel, u heeft nog nooit van Nederlands cabaret gehoord. Door onbekende redenen belandt u plotseling bij een voorstelling van Youp van ’t Hek en hoort u hem op het podium zeggen dat (ik noem maar wat) het gezin van een Telegraaf-verslaggeefster dood mag. Dan schrikt u zich kapot. Dat is niet grappig, dat is bedreigend. U gaat aangifte doen van haatzaaien. Zou het Openbaar Ministerie tot vervolging overgaan? Welnee.

Want u had immers nog nooit van cabaret gehoord en begreep dus de context niet. De cabaretier bedoelde niet dat er iemand dood moest, maar wilde op een ironische manier een punt maken. Dat mag, want daarvoor komen zijn bezoekers naar het theater. Die begrijpen dat er harde dingen worden gezegd, maar dat die niet letterlijk zijn bedoeld. De cabaretier zal dan ook nooit worden opgepakt, omdat hij gelukkig in een land leeft waar vrijheid van meningsuiting een van de belangrijkste pijlers onder de rechtsstaat is.

Bovenstaand voorbeeld is van toepassing op wat nu de Brussen-gate heet: ondergetekende is door de politie verhoord voor haatzaaierij en bedreiging wegens het herplaatsen van een dreigement van iemand anders aan Geert Wilders op een weblog, en de kop boven het artikel wordt door het OM niet als ironisch, maar als bedreigend gezien. Terwijl het uiteraard niet dreigend en zeker niet haatzaaiend maar ironisch was bedoeld.

En daar zit het probleem, tekenend voor de vrije meningsuiting zoals die wordt uitgeoefend in een relatief nieuw medium als internet: de context is niet voor iedereen direct duidelijk. Sec bekeken staat er namelijk een oproep tot geweld, zoals de cabaretier in eerdergenoemd voorbeeld sec bekeken een gezin dood wenst.

Maar de bezoekers van het weblog weten wel beter. Zij komen nou juist naar dat weblog omdat ze de ironie begrijpen. Zij verwachten een bepaalde taal van de weblogger en zij weten exact wat de weblogger bedoelt. Sterker: ze lachen om artikelen die anderen als haatzaaiend zouden betitelen.

Dat het OM en NRC Handelsblad (Commentaar, 16 augustus) niet inzien dat de kop boven het artikel ironisch was bedoeld en dat het plaatsen van een screenshot (een soort fotokopie) van een twitterbericht (een tweet) op internet geldt als citaat, zegt iets over de kloof die gaapt tussen de interpreteerders van gedateerde vrije meningsuiting beknottende wetsartikelen als artikel 137d (het haatzaai-artikel) en de gebruikers van nieuw mediale vormen van journalistiek. Kennelijk leeft bij hen nog altijd de gedachte dat de lezer duidelijk moet worden geïnformeerd wanneer iets een citaat of, godbetert, ironie is. Citeren doe je volgens NRC Handelsblad blijkbaar met aanhalingstekens, niet met het fotokopiëren van tweets.

En als je dat wel doet, dan is het heel belangrijk om de context aan de lezer nog eens extra duidelijk te maken, want de lezer kan anders zomaar op kwade gedachten komen. Dat blijkt ook uit het NRC-commentaar: het herpubliceren van nazistische literatuur in een bibliotheek is geen probleem, want de lezer kan zelf bedenken dat het hier om historisch materiaal gaat. Maar het herpubliceren van een haatzaaiende tweet zou een lezer wel eens op kwade gedachten kunnen brengen. Een blogger is kennelijk giftiger voor de geest dan nazipropaganda.

Het volstaat hierbij om de reactie op het hoofdcommentaar van schrijver Joost Zwagerman te citeren: „De [...] redactie van NRC begint uit te groeien tot een eiland van zelffeliciterende wereldvreemdheid [...] De blogger is meer dan gewoon een blogger: hij bedrijft een vorm van journalistiek.” Een vorm van journalistiek waar kennelijk nog lang niet iedereen even gelukkig mee is. Jammer.

Bert Brussen is publicist en weblogger, o.m. voor GeenStijl.