Niet dromen is geen optie

Hoe overleven mensen in een gebied dat door een blokkade van de buitenwereld is afgesloten? Hoe maak je waterijsjes als zelfs de houten stokjes niet langs de blokkade komen? Als alle mechanismen van de markt zijn uitgeschakeld? Op zoek naar de economie van de Gazastrook.

De foto’s van prijsuitreikingen aan de muur, de proefmonsters in de houten kast en de vastberaden blik van Ghazi Mushtaha als hij het woord chairman op een visitekaartje krabbelt – alles in de directiekamer van ijsfabriek el-Arusa ademt trots. Het is wel een trots over een lang verloren gegaan verleden. „Op die foto’s aan de muur heb ik nog geen grijs haar”, zegt Mustaha met een brede lach.

Veel prijzen worden er niet meer uitgereikt aan de oudste Palestijnse ijsfabriek, een groot complex dat verborgen ligt in het centrum van Gaza-stad. De fabriek ligt grotendeels stil. Nog maar een van de zes machines werkt, de veertig overgebleven werknemers drinken hoofdzakelijk koffie in de hal.

„We hebben decennia van voorspoed gehad”, zegt directeur Mushtaha. „We hebben heel Gaza in de jaren zeventig aan het ijs gekregen. Waterijsjes waren hier onbekend, maar wij braken ermee door. Daarna zijn we gaan exporteren. In Jordanië, Egypte en zelfs in Israël werd ons ijs verkocht.” Het enige positieve aan de bezetting door Israël in 1967, zegt Musthaha, was dat ze de bevolking in aanraking brachten met ijs. „Hier gold het idee dat ijs alleen iets voor kinderen was.”

Mushtaha en zijn werknemers halen in de hal herinneringen op aan de tijd dat de grens tussen de Palestijnse Gazastrook en Israël nog open was. El-Arusa had een ijsfabriek die precies op de grens lag. Een rabbijn controleerde of het ijs kosher was.

Die fabriek is allang verwoest, tijdens een Israëlische militaire inval in het gebied. De blokkade van de Gazastrook heeft de export van het ijs lamgelegd. Alleen de anderhalf miljoen inwoners van het gebied kunnen het ijs van el-Arusa nog eten. Maar ook het fabriceren van het ijs is vrijwel onmogelijk geworden, zegt Mushtaha. „De stroom valt voortdurend uit, waardoor de vriescellen ontdooien en ik hele voorraden kan weggooien. Ik kan niet aan goed materiaal komen. Ik heb ijsstokjes besteld uit China, die komen de blokkade nog steeds niet door. Met verpakkingen gaat het precies hetzelfde. Ik ben bijna door mijn voorraad heen.”

Zoeken naar de economie in de Gazastrook betekent een moedeloze rondgang langs gesloten fabrieken, werkloze ondernemers en verwoeste bedrijventerreinen. „Er is geen economie meer in Gaza”, zegt Omar Shaban, voorzitter van PalThink, een gezaghebbende denktank van economen en ondernemers in de Gazastrook. „Alle mechanismen die op een markt enigszins horen te werken, zijn hier uitgeschakeld. Er is geen verkeer van personen, geen bank die inflatie kan bewaken, geen export, niets.”

In de zomer van 2006 werd het toch al armoedige gebied door Israël afgesloten van de buitenwereld. Hamas had de Israëlische militair Gilad Shalit gevangen genomen, en Israël probeerde Hamas zo onder druk te zetten. Toen Hamas in 2007 de volledige macht in Gaza naar zich toe trok, werd de blokkade verergerd. De zee werd afgesloten, landovergangen gingen goeddeels dicht, het vliegveld is al jaren geleden platgebombardeerd.

Studies van de internationale gemeenschap maken van de Gazastrook een economisch rampgebied. Sinds de blokkade van de Gazastrook begon, in de zomer van 2006, heeft zo’n 90 procent van de fabrieken de deuren moeten sluiten. De werkloosheid is gestegen tot meer dan 40 procent van de beroepsbevolking. De helft van de bevolking is aangewezen op voedselhulp van de VN-organisatie UNRWA. De export heeft Israël volledig stilgelegd.

Spullen zijn er wel in Gaza. De winkels van Gaza-stad liggen vol levensmiddelen. Tot voor kort werden ze uit Egypte gehaald, via de levensgevaarlijke handel door smokkeltunnels. Sinds een paar weken heeft Israël de blokkade van de Gazastrook enigszins verlicht. Er mogen van de regering van premier Benjamin Netanyahu nu levensmiddelen ingevoerd worden via de gesloten grensovergangen naar Gaza.

Probleem is, zegt econoom Omar Shaban, dat de uitbundig uitgestalde producten in de supermarkten voor de helft van de bevolking onbereikbaar zijn. „Veel mensen hebben geen inkomsten en dus niets om uit te geven. De economie van Gaza is gesloten.”

Typerend voor die geslotenheid is het geld in Gaza. De Israëlische shekels – Gaza en de bezette Westelijke Jordaanoever vormen een monetaire eenheid met Israël – uit de pinautomaat zijn groezelig, gescheurd en met plakband hersteld. Eindeloos gaan ze van de ene hand naar de andere. Nieuw geld komt alleen binnen als Israël dat goed vindt, Israël controleert dus de waarde van het geld in Gaza.

Maar achter de uitzichtloosheid schuilt ook inventiviteit. Shaban: „Gazanen zijn een koppig volk, ze geven de moed niet op en verzinnen elke dag nieuwe oplossingen. De officiële economie kunnen we dood verklaren, maar een informele economie draait gewoon door.”

Vindingrijkheid is te vinden in het noordelijke grensgebied van Gaza, een gebied dat één grote ruïne is. Talloze Israëlische invasies hebben van het voormalige industrieterrein, waar ook een dependance van de ijsfabriek van el-Arish stond, een betonnen puinhoop gemaakt. Tijdens de laatste oorlog, in januari 2009, verwoesten Israëlische tanks ook het naastgelegen dorpje Beit Lahiya, een gemeenschap van vooral kleine groentebedrijven. Maar het oorlogspuin in het dorp verdwijnt snel. Kinderen, vrouwen en mannen slaan met hamers en pikhouwelen brokken beton van de ingestorte gebouwen af en laden ze op karren.

Kemal Abu Yousuf is een van hen. In de schaduw bij een kleine groentekwekerij zit de goedlachse twintiger op zijn hurken thee te zetten met drie collega’s. Ze zijn allen bedoeïenen, een van oorsprong nomadisch volk dat ook voor Gaza-begrippen in extreme armoede leeft. Hij helpt tien uur per dag een Palestijnse boer met de oogst van tomaten en komkommers. „Eén doos komkommers van vijftien kilo levert ons tien shekel (twee euro) op. Van een dag werken kan ik net een dag leven. Er is geen export, we leveren alleen aan de markten in Gaza.”

De uren die hij vrij is, ramt Kemal brokstukken kapot. „Er is een groot tekort aan bouwmateriaal, dus alles waarmee gebouwd kan worden, is kostbaar.” Een Palestijns bouwbedrijf verpulvert het beton, mengt het met zand en water, waarna er nieuwe stenen van worden gemaakt. De vraag is aanzienlijk. UNRWA bouwt huizen van modder en klei en er zijn tenten neergezet, maar de vraag overstijgt het aanbod. „Brokstukken leveren tientallen shekels extra op. Na een dag hard werken heb ik mijn inkomen goed aangevuld.”

Kemal wil, zegt hij, met de verkoop van brokstukken geld sparen om in Europa te gaan studeren. Of het lukt, weet hij niet. Hij heeft Europa nooit gezien. Hij is al jaren Gaza niet uitgeweest. „Niet dromen is geen optie”, zegt hij. „Hier om me heen is geen hoop meer, alles is dood.”

Wie geld heeft, koopt spullen in de supermarkt van Ousama Saqqa, in het centrum van Gaza-stad. Hamas, dat onder meer wordt gefinancierd door Iran en sympathisanten uit de Golfstaten, betaalt salarissen aan duizenden ambtenaren, politieagenten, militanten en artsen. Palestijnen die sympathiseren met de onttroonde Palestijnse president Mahmoud Abbas die in de Westelijke Jordaanoever resideert, worden op afstand door Abbas’ bureaucratie in Ramallah betaald om thuis niets te doen.

Een enkeling profiteert van de schaarste. Een zakenman vertelt hoe hij tunnels laat aanleggen voor de smokkel van goedkope Egyptische benzine die met woekerwinst wordt doorverkocht. Met de inkomsten „koopt” hij Egyptische soldaten en zakenpartners. Een andere ondernemer vertelt hoe hij Israëlische shekels door buitenlandse bezoekers het gebied uit laat smokkelen. In ruil brengen zakenpartners Jordaanse dinars of Amerikaanse dollars Gaza binnen. Smokkelaars doen liever zaken voor deze koersvastere munten.

Dat zijn de mensen die het zich kunnen veroorloven hun spullen te kopen in de supermarkt van Ousama Saqqa. Het is de grootste van de Gazastrook, twee verdiepingen hoog en tot de nok gevuld. Deze middag is het rustig. Hamas, zegt Saqqa, betaalt de salarissen aan ambtenaren pas later in de maand uit, en ook andere mensen met een baan moeten de rest van de maand nog zuinig aan doen. „Die zie je hier pas volgende week.”

Saqqa moet het vooral hebben van ruilhandel. Veel klanten betalen niet, maar nemen rijst of poedermelk mee uit de VN-voedselpakketten. In ruil daarvoor mogen ze wat uit de winkel uitzoeken, Saqqa verkoopt de noodhulp door. „De mensen sparen het uit hun mond, ze willen soms gewoon een verjaardag of bruiloft vieren. Dat doe je niet met poedermelk. Dan heb je gebak of chocola nodig.”

Wanhoop en onzekerheid maken de handel in Gaza vluchtig, zegt econoom Omar Shaban. „Er is geen werk, dus is er geen geld. De politieke omstandigheden zijn ook onzeker. Nu zijn de grenzen weer iets geopend voor goederen, maar dat kan morgen weer anders zijn. Misschien is er morgen oorlog, of gaan de grenzen weer op slot. Waarom zou je een handeltje beginnen als je straks de scherven weer bij elkaar moet vegen?”

Shaban vecht hiertegen. Hij probeert al enkele jaren mensen met ideeën en geld aan elkaar te verbinden, en lanceert zo nu en dan plannen om de economie van Gaza te verbeteren. Hij heeft onlangs het voorstel gedaan om een haven te bouwen, waardoor Gaza – als de zeeblokkade ooit wordt opgeheven – een soort Mediterrane Rijnmond kan worden. „We hebben een hardwerkende, goed opgeleide bevolking op een strategische plaats. Als ooit de blokkade volledig wordt opgeheven, zal het echt gaan floreren. Tot die tijd moeten we creatief zijn. Geduldig wachten heeft geen zin.”

Ghazi Mushtaha van ijsfabriek el-Arusa wacht wel. Op de ijsstokjes uit China die niet komen, en het pakpapier. Misschien redt de fabriek het tot het einde van de blokkade, misschien niet. „We zien het wel”, zegt Mustaha. „We hebben boven alles God nodig. Hij alleen kan de fabriek redden.”