Je wint samen en je verliest samen

Deze zomer duikt nrc.next in het verenigingsleven.

Vandaag: een wedstrijddag van de jeu de boules-vereniging B.U.T. (Boule Union Thamen).

Morgen gaat in Ljubljana het vijfde European Petanque Championship for Women van start. Het kampioenschap duurt drie dagen en Judith van den Eijnden (40) eindigt ongetwijfeld bij de beste acht. Dat kan haast niet anders: ze traint vijf keer per week en besteedt al haar vakantiedagen aan deze oervariant van jeu de boules. „Je móét veel trainen als je je spel wilt onwikkelen.” Vorige week nog was ze op Lanzarote, waar de EK-oefenwedstrijden plaatsvonden. „Toen ik tien was, dacht ik net als jij dat petanque niet meer dan een spelletje was, maar sinds mijn twintigste ben ik hartstikke verslaafd.” Daarin is ze niet alleen: een kleine 50.000 Nederlanders schijnen met grote regelmaat een potje te petanquen.

Even terug in de tijd. Het is zondagochtend 8 augustus en Judith staat te boulen tussen de bejaarden. Plakjes cake in de kantine, blauwe ballonnetjes om het speelterrein: vandaag spelen 64 liefhebbers een jubileumwedstrijd. De Uithoornse vereniging Boule Union Thamen (afgekort als ‘B.U.T.’, een verwijzing naar het houten balletje waar de speler z’n boules zo dicht mogelijk bij moet zien te gooien) bestaat 25 jaar. Ze begonnen met twintig leden en zijn nu met z’n zestigen, maar deze wedstrijd is ook toegankelijk voor leden van andere clubs. De spelers zijn verdeeld in 32 teams en moeten nu bewijzen of ze al dan niet bij de betere helft horen.

Judith speelt samen met Pascal van 23. Ze nemen het op tegen een grijze meneer en een oud dametje. Het dametje kan niet meer bukken: om haar boules op te rapen, hanteert ze een magneet op een stok. Eitje voor Judith, lijkt mij. Normaal speelt ze ‘op niveau’: ze gaat bijna alleen naar toernooien waar spelers uit binnen- en buitenland op afkomen – veelal spelers onders de 35. Maar zoveel toptoernooien worden er in vakantietijd niet georganiseerd. Zó verslaafd is ze dus, deze administratief medewerkster met ballen: liever een suffe wedstrijd dan géén wedstrijd.

Judith en Pascal staan met 3-0 achter, maar alles kan nog veranderen.

8-0.

Een partij gaat tot 13.

10-0.

Kom op, Judith!

Dat ze in mei nog de Grand Masters Petanque in Apeldoorn won – als eerste vrouw ooit – mag nu echter niet baten. De pensionado’s winnen met 13-0.

„Ze zijn helemaal ondersteboven”, glundert Lucie van der Helder (82). „Ze vermoedden niet dat ik twee keer per week train: ik mag niet indutten!” Vroeger was Lucie fanatiek tennisser. Maar toen kreeg ze ’t aan haar hart en mocht ze van de dokter niet meer. „Na de operatie zei de dokter dat ik jeu de boules moest proberen. ‘Je bent niet goed wijs’, reageerde ik.” Maar hij was het wel, want zie hier een fit meisje van boven de tachtig, al tien jaar vrolijk lid van een petanquevereniging in Badhoevedorp. Het is toch allemaal zo gezellig. De uitschuifbare antenne met magneet aan het uiteinde kreeg ze drie jaar geleden van vrienden. „Zijn jullie helemaal gek geworden?! riep ik toen ik dit ding kreeg. Ik heb zoiets toch niet nodig? Maar ’t is wel handig… Het gaat van ‘pets’ en hebbes, die bal.”

In de kantine zit Judith inmiddels aan het bakje troost. „Nu kom ik niet in de A-poule terecht”, zucht ze, „en daar ga ik altijd voor.” Lag het aan haar wedstrijdpartner misschien? Een vastberaden nee. „Ik zeg altijd: je wint samen en je verliest samen.” Dat ze van twee oudere mensen verloor, vindt ze evenmin erg. „Die dame gooide al haar ballen fantastisch goed bij de but, ze speelde super! Dat is ook zo mooi aan dit spel: je leeftijd maakt niet uit. En je achtergrond ook niet: directeuren spelen tegen schoonmakers. Het is een ontzettend sociale sport.” Ze kreeg haar vrienden, broer en ouders aan de sport; haar vader werd scheidsrechter.

Recht spreken op de boulesbaan, ’t schijnt mooi te zijn. Ex-brandweerman Arie van Spijker (72), die hier rondloopt in blauw arbitershirt, vindt het zelfs mooier dan op het voetbalveld. „Ik was jarenlang KNVB-scheidsrechter. Daar gaat het er steeds agressiever aan toe. Achter m’n rug gingen de Ajax-junioren elkaar op de bek slaan. Leuk is anders.” Hij tikt op z’n oranje petje, waar hij z’n arbiterbadge van de Nederlandse Jeu de Boules Bond (NJBB) op heeft genaaid. „Geef mij maar jeu de boules.”

Ook vandaag wordt er serieus gespeeld: mobieltjes uit, niet hard praten, blijven stilstaan als een speler z’n bal gaat gooien. Zelden zijn er problemen. „Vorig jaar in Lisse, bij de officiële landelijke competitie, ging het fout”, herinnert Arie zich. „Er was een speler die keihard op een paal tikte elke keer dat zijn tegenstander ging gooien. Ter afleiding natuurlijk. Ik gaf ’m een waarschuwing, een spreekwoordelijke gele kaart. Hij werd opgenomen in het Boek van Officiële Waarschuwingen van de NJBB. Uiteindelijk werd-ie drie maanden door de Bond geschorst. Heeft me nog met de dood bedreigd, die kerel.”

Maar dat zijn uitzonderingen. Meestal gaat het zoals nu: „Arie, kom je effe?” De arbiter wipt het veld op, haalt twee rode lapjes uit zijn schoudertas – voor z’n oude knieën. Hij hurkt, buigt naar voren, tuurt secondenlang naar de twee boules die allebei even dicht bij de but lijken te liggen. Hmm, moeilijk. Zaklampje erbij, nog eens goed kijken. „Ze liggen allebei los... Maar deze hier ligt op punt.” Arie raapt z’n gerei op en krijgt een schouderklopje: hij mag weer gaan.

Anderhalf uur na aanvang zijn bijna alle teams klaar met hun eerste spel. Amsterdammer Navin Koebeer (26) staat te popelen om aan het tweede te beginnen. „Toen ik een jaar of zes was, kwam ik af en toe met m’n vader op de club langs. Die speelde toen al op topniveau. Ik deed mee, voor de gein, weet je wel. Maar een beetje talent wordt snel opgepikt.” Vanaf zijn vijftiende speelde hij serieus mee. „Petanque wordt altijd gezien als een ouwelullensport, maar dat klopt gewoon niet. Dit is een concentratiespel; niet iedere randdebiel kan boulen. Het moet goed zitten in je kop.” Arie de Arbiter komt langs gewandeld. „Ah, Navin is een goeie”, roept hij me toe. „Heeft nog nooit een officiële waarschuwing gekregen.” Navin knikt. „Ik heb een strafblad van hier tot Tokio, maar een officiële waarschuwing, nee.”

Vijf uur later krijgen Navin en zijn vader iets in hun handen gedrukt. Geen gele kaart, maar een zilveren beker. Ze grijnzen.