Van goede kunst kun je flink ziek worden

De kunst is in Florence zo alom aanwezig dat je erdoor van slag kunt raken.

Welke invloed kan kunst eigenlijk hebben op je geestelijke gesteldheid?

De Franse schrijver Stendhal was de eerste die het overkwam en erover schreef. In 1817, na een bezoek aan de kerk van Santa Croce in Florence, werd hij onwel. „Ik raakte in extase door het idee dat ik in Florence was, vlakbij de grote meesters wier praalgraven ik had gezien. Verzonken in de overpeinzing van sublieme schoonheid had ik het emotionele punt bereikt waarop hemelse gewaarwordingen, opgeroepen door de schone kunsten, zich mengen met gepassioneerde gevoelens. Toen ik uit de Santa Croce kwam, had ik hartkloppingen. Het leven vloeide uit me weg. Ik liep, maar was bang dat ik zou vallen.”

Na een paar dagen Florence waren Stendhals uitputtingsverschijnselen zo ernstig dat hij een tijdje in het ziekenhuis werd opgenomen.

Hij was waarschijnlijk niet de eerste en zeker niet de laatste. Jaarlijks raken tientallen bezoekers in de stad onwel. De Florentijnse psychiater Graziella Magherini behandelde zoveel ‘slachtoffers’ die geveld werden door het aanschouwen van het overweldigende kunstaanbod dat ze de aandoening in 1979 betitelde als ‘syndroom van Stendhal’. In haar gelijknamige boek beschrijft ze de meest uiteenlopende gevallen.

Zoals dat van Kamil, een gevoelige jongen uit Praag die in de Tsjechische hoofdstad schilderlessen volgde aan de kunstacademie. Na het bezoeken van de Santa Croce, de Duomo (Dom) en het Uffizi (museum), werd de Brancacci-kapel met de fresco’s van Masaccio hem te veel. Hij moest naar buiten en legde zich te rusten op de kerktrappen. Lange tijd wilde hij met niemand praten. Het koste Magherini maanden om hem weer op de been te krijgen.

Ook het bezoek van Franz aan Florence wordt beschreven, een ingenieur uit Beieren wiens latente homoseksualiteit hem in volle hevigheid overvalt bij het aanschouwen van de Bacchus van Caravaggio. En dat van Isabelle, een Franse lerares die een bezoek aan het Uffizi moet bekopen met paniekaanvallen.

Volgens Magherini kan kunst lang weggestopte emoties losmaken die zich vervolgens manifesteren in geestelijke klachten. Of gevoelige mensen, zoals de Tsjech Kamil, kunnen de overweldigende hoeveelheid renaissancekunst in Florence eenvoudigweg niet aan. VN-organisatie Unesco bepaalde al in 1982 dat de grootste concentratie van wereldberoemde kunstwerken te vinden is in Florence.

Heeft de stad daadwerkelijk dit effect op bezoekers? Of kan dit overal gebeuren? En is kunst in staat tot het oproepen van dergelijke, sterke emoties?

Gert Jan van der Sman, van het Nederlands Interuniversitair Kunsthistorisch Instituut in Florence, heeft studenten tijdens rondleidingen in de stad nog nooit tegen de vlakte zien gaan. Van der Sman, ook hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden, heeft het boek van Magherini gelezen en vindt de gevallen die ze aanhaalt zo verschillend dat er wat hem betreft geen sprake is van één syndroom. „Ik denk dat het meer te maken heeft met de enorme concentratie kunst van hoog niveau, waardoor mensen overweldigd raken. En de stad zelf, omringd door de schitterende heuvels, en het prachtige zonlicht appelleren allemaal aan het esthetische gevoel. Bezoekers komen vaak met hoge verwachtingen en willen veel tegelijk zien, waardoor het wellicht wat te veel kan worden.”

Ook priester en kunsthistoricus Antoine Bodar, die nu in Rome woont, leidde voorheen, als universitair docent in Leiden, vaak studenten rond in Florence. Net als Van der Sman is hij van mening dat bezoekers door de kunst die in de stad „over elkaar heen valt” moe en „een beetje overspannen” kunnen raken. Maar dat specifiek kunst mensen zodanig in de war kan brengen als Magherini beschrijft, dat gelooft hij niet. Dan moet er meer spelen en heeft ook het feit dat mensen ver van huis zijn waarschijnlijk invloed.

Wat niet wil zeggen dat Bodar de invloed van kunst op de geestelijke gesteldheid van mensen bagatelliseert. Hij gelooft vooral in de troost die allerlei kunstvormen bieden. „Nu het christelijke geloof in het openbare leven zo’n kleine rol speelt, zie ik wel dat liberale jongeren, de D66-jongeren zeg maar, hun troost zoeken in kunst. Mijzelf, al ben ik katholiek, is dat ook niet vreemd. Kunst en de kerk zijn door de eeuwen heen natuurlijk nauw met elkaar verbonden.”

Aangezien hij op het punt staat een mis te leiden in de Sint-Jan in Den Bosch, geeft hij deze gotische kathedraal als voorbeeld. „Dit gebouw en zijn architectuur kunnen mij bijzonder raken.” In de schilderkunst noemt Bodar de sixtijnse madonna van Rafaël als bron van troost en inspiratie.

Ook in de psychiatrie wordt de invloed van kunst op de geest onderkend. Volgens de Amsterdamse psychiater Wilco Tuinebreijer, deskundige op het gebied van de relatie tussen kunst en psychiatrie, gaan beide over het onderzoeken en begrijpen van mensen. „Daarom kan goede kunst, zowel oude als hedendaagse, heel wat triggeren aan emoties, opeenvolgende gedachtes en gevoelens. Kunst zegt ook wat over de maatschappij waarin je functioneert. Hoe beter de kunst, hoe harder die binnen komt en hoe verontrustender die is.”

Minimaal één maal per jaar gaat Tuinebreijer naar het Mauritshuis in Den Haag. „Bij een tentoonstelling van Vermeer krijg je zó veel zeldzame schoonheid in één keer te zien...”

Bij de behandeling van zijn patiënten zet Tuinebreijer kunst alleen in ‘als woorden ontoereikend zijn’. Uit privacy-overwegingen geeft hij het theoretische voorbeeld van een in Amsterdam geboren jongen met Pakistaanse ouders. Een jongen die erg in de Pakistaanse subcultuur zit, met veel geweld en verwaarlozing. Hij gaat studeren, maar voelt zich vaak somber en komt bij Tuinebreijer terecht. Die leert hem dat zijn vroegere thuissituatie, met veel schreeuwen en slaan, niet gezond is en dat wat hij heeft meegemaakt de reden is voor zijn sombere gevoelens.

„Als dat onvoldoende zou werken, zou ik hem waarschijnlijk naar de film My beautiful laundrette van Stephen Frears sturen. Die gaat over de benauwende cultuur in de Pakistaanse gemeenschap in het Londen van de jaren tachtig. Vaak zie je dat dan het kwartje pas echt valt.”