'Ik wil uit mijn eigen wereldje breken'

De IJslandse zanger Jónsi, die vrijdag op Lowlands speelt, heeft een falset die door merg en been gaat. Zijn muziek is zowel etherisch als gejaagd.

Zoals hij daar zit, aan de achterkant van de Amsterdamse Paradiso, lijkt hij niet op een popster. Jón Þór Birgisson, alias Jónsi, draagt een geblokt hemd. Zijn vuile broek slingert om zijn dunne benen. En kijkt hij je aan, dan draait zijn ene oog steeds naar de kruin van de boom, achter je linkerschouder. Jónsi is blind aan één oog.

Sterallures heeft de IJslandse zanger evenmin. Gisteren maakten hij en zijn bandleden een tochtje met de rondvaarboot. „Een geweldig uitje.”

Amsterdam betekent voor Jónsi geen drankgelagen of uren in de coffeeshop. „Ze waren gisteren de hele dag bezig met het verzamelen van voedsel”, zal de toermanager later zeggen. Huh? Ja, knikt de man, want Jónsi en zijn vriend/ muzikant Alex Somers eten alleen rauw voedsel. Daarom zeulen ze op tournee hun blenders mee.

Ook op het podium doet Jónsi niet denken aan een popster. Stil staat hij achter zijn microfoon. Het ene moment klinkt hij als een jongen, het andere moment als een meisje – of als een dier in nood. Maar altijd gaat zijn fabelachtige falset door merg en been. Zijn gitaarspel is al even ongewoon. Voorzichtig beroert hij de snaren. In het verleden gebruikte hij een cellostrijkstok om de snaren van zijn gitaar mee te strelen.

Jónsi begon zestien jaar geleden als voorman van het IJslandse Sigur Rós. Die band vierde eerder triomfen op Lowlands, in 2008, waar ze met hun magische klanken menigeen tot tranen wisten te roeren. Het vierkoppige Sigur Rós bracht toen een strijkkwartet en een hoempapaorkest mee. Dit weekeinde staat hij opnieuw op Lowlands, zonder Sigur Rós.

Begin dit jaar bracht hij zijn eerste soloalbum uit, Go. „Omdat de meeste bandleden kinderen kregen, besloten we een pauze van een jaar in te lassen. Maar ik kreeg geen kinderen. En ik had nog negentig liedjes liggen die ik in de afgelopen vijftien jaar had geschreven. Muziek vloeit nu eenmaal de hele dag door mijn lijf. Ooit kocht ik op tournee een baritonukelele. Dezelfde dag had ik vier liedjes op het ding geschreven.”

Jónsi’s soloplaat Go bestaat uit twee werelden. Zo omvat ze de magische, etherische pracht van Sigur Rós, waar minimale en klassieke muziek bijeenkomen in ontroerende songs. Echte popliedjes heeft Sigur Rós nooit gemaakt; eerder bestaat hun muziek uit ijle soundscapes. Wie luistert naar Sigur Rós, ziet een zuiver IJsland, waar helder water over met stug gras bedekte hellingen kabbelt. Dat Jónsi in een zelfverzonnen taal zingt, door hem het hopelandish genoemd, versterkt dat effect.

Maar Go heeft ook een andere kant, en die bestaat uit een gejaagde beat waar de drukte van de stad en de moderne tijd in door klinkt. In die songs ligt het tempo hoger dan voorheen, en eisen de drums en percussie nadrukkelijker hun plek op. Soms zoekt Jonsi zijn toevlucht zelfs tot distortion, door het bestaande geluid te oversturen. Ook zingt hij in bestaande talen, in het Engels en in het IJslands. „Ik heb een Amerikaanse vriend, we spreken thuis de hele tijd Engels. Zodoende begon ik me zeker te voelen om die woorden te gaan gebruiken”, zegt hij.

Met name de beat, het gejaagdere karakter van de plaat was aanvankelijk niet de bedoeling. „Ik wilde een akoestisch album maken. Op basis daarvan selecteerde ik ook dertig langzame, stille liedjes uit mijn voorraad.”

Maar toen gingen Jónsi en zijn vriend Alex aan de slag in de studio in Amerika. Met hulp van de klassieke componist Nico Muhly, die eerder met Björk en Grizzly Bear werkte, werd alles anders. „We namen steeds meer instrumenten op, en langzamerhand werden de nummers steeds voller, steeds gelaagder.

„Op een gegeven moment sloegen we de tegenovergestelde richting in, daartoe aangemoedigd door Muhly. Dat is het rare aan dit album: ik heb de verkeerde nummers gekozen!”

Aan het eind van het jaar, als de baby’s van Sigur Rós zijn gegroeid, wil hij verder gaan met zijn oude band. Al zal de samenwerking anders verlopen dan voorheen. „Tijdens de opnames van Go heb ik met verschillende muzikanten gemusiceerd. Dat vond ik erg opwindend. Bij Sigur Rós laten we niemand anders toe, zijn we opgesloten in onze eigen wereld. Dat moet in de toekomst anders.”

Toch, een heuse popster met popband zal Jónsi nooit worden. Over de optredens met Sigur Rós maakte hij de concertfilm Heima. Maar in die film draait het niet om de muziek maar om de natuur, met prachtige sfeerimpressies van IJsland.

Ook tijdens zijn soloptredens is een hoofdrol voor de natuur weggelegd. Die toont zich op een metershoog doek in vele facetten: lieflijk, met bloeiende bloemen en wreed, met jagende wolven. En daartussen staat Jónsi, in een kabouterpak met vleugels aan de mouwen. Hij speelt de hoofdrol in een zelf verzonnen sprookje.

Jónsi: Lowlands, vrij 20/8, 19.15 uur; Pukkelpop, za. 21/8.