Een nieuw kunstgrasveld? Bel de gemeente

Clémence Ross, voorzitter van De Graafschap, wil dat clubs en gemeenten gaan praten over de problemen in het betaald voetbal. De reacties zijn gemengd.

Of hij het een goed plan vindt? Willem Vermeend, voormalig minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2000-2002) laat er geen misverstand over bestaan: „Een uitstekend plan”, zegt hij. „Wij zouden meer van dat soort voorzitters moeten hebben.”

Vermeend schaart zich achter het voornemen van Clémence Ross om clubvoorzitters en sportwethouders uit te nodigen voor een gesprek over de financiële problemen in het betaald voetbal. Ook is hij het met de voorzitter van De Graafschap eens dat gemeentelijke steun aan voetbalclubs onwenselijk is en tot concurrentievervalsing leidt. „Het wordt tijd beleid te ontwikkelen. Hoe moeilijk dat ook is, omdat gemeenten eigen bevoegdheden hebben.”

Begin deze maand bracht voetbalbond KNVB naar buiten hoe het met de financiële situatie in het betaald voetbal gesteld is. Dertien clubs verkeren in grote financiële nood en staan bij de KNVB onder curatele. Negentien clubs kregen het predicaat ‘zorgelijke staat’. Slechts vier clubs werden financieel gezond verklaard. Naar aanleiding van een rapport van Vermeend, die eerder dit jaar de bedrijfstak doorlichtte, besloot de KNVB clubs in de toekomst strenger te controleren.

Uit een rondgang langs sportwethouders en clubbestuurders blijkt dat er vele vormen van financiële steun bestaan. Van de aanschaf van tribunekaarten (Cambuur) en het verstrekken van leningen (Excelsior, Feyenoord) tot het kwijtschelden van achtergestelde vorderingen (MVV). Een aantal clubs krijgt geen subsidie. Of wordt benadeeld door de gemeente. Paul Bottelier, interim-bestuurder van Willem II: „Tilburg verdiende miljoenen aan Willem II. Eerst moesten wij het stadion uit nood verkopen, om daarna een hoge huur te betalen.”

Het komt niet vaak voor dat gemeenten clubs een zak geld geven met de mededeling: doe ermee wat je wilt. Maar als er eisen worden gesteld, is niet altijd duidelijk of die worden nageleefd. „In die zin kun je van een grijs gebied spreken”, zegt Serge Rossmeisl, directeur van de Federatie Betaald Voetbalorganisaties (FBO). „Maar om nu te concluderen dat gemeentegeld aan spelerssalarissen wordt uitgegeven? Nee. Wel aan zaken als jeugdopleiding, trainers, kantoren en ondersteuning.”

Uit de gesprekken met clubbestuurders en sportwethouders blijkt dat het merendeel tegen ongelimiteerde financiële steun is. Maar geheel verbieden, dat gaat de meesten te ver. „Je mag geen gemeenschapsgeld voor de exploitatie van Betaald Voetbal Organisaties aanwenden”, zegt Nico Janssens, voorzitter van Excelsior. „Maar voor accommodaties moet een uitzondering worden gemaakt. Zo hebben wij een lening van tien jaar afgesloten met de gemeente voor de aanleg van een nieuw kunstgrasveld. We hadden geen keus: banken vinden zo’n project te risicovol.”

Veel voorzitters en wethouders onderstrepen dat voetbalclubs een belangrijke maatschappelijke functie hebben. Als zo’n instituut omvalt, valt ook die functie weg. Jim Janssen, sportwethouder in Maastricht: „MVV gaat met ingang van het nieuwe seizoen een sociaal huurtarief betalen. Bij dat besluit werd rekening gehouden met het feit dat de club van belang is voor het vestigingsklimaat en dat er zo’n vier- tot zesduizend mensen afkomen op thuiswedstrijden – een aantal dat de vele gesubsidieerde culturele instellingen en theaters nog moeten zien te realiseren.” Eric Gudde, algemeen directeur van Feyenoord, wijst er op dat het deels door de gemeente Rotterdam gefaciliteerde Stadionpark ook een sportcampus herbergt. „Als de maatschappelijke relevantie van een project groot is, mogen gemeenten best bijspringen.”

Vermeend stelt in zijn rapport dat Betaald Voetbal Organisaties binnen drie tot vier jaar hun financiën op orde moeten hebben. En de multifunctionaliteit van stadions is volgens hem een van de manieren om dat te bereiken. „Voetbalstadions waarin alleen gevoetbald wordt, zijn niet meer van deze tijd”, zegt hij. „Ik kan u garanderen dat er straks meerdere sporten in zo’n stadion worden beoefend. Door al die clubs wordt een zakelijke prijs aan de gemeente betaald. Eenmaal gezond hebben zij die gemeenten niet meer nodig, dan komen de sponsors vanzelf.”

Voor een gezonde financiële huishouding moeten gemeenten en clubs volgens Ross de handen ineen slaan. Een goed plan? „Het is prima van elkaar te leren”, zegt Gudde van Feyenoord. „Maar dat neemt niet weg dat clubs een eigen verantwoordelijkheid hebben.” Heracles-voorzitter Jan Smit voorziet „een Poolse landdag”. En Marco Florijn, wethouder van Leeuwarden, wil alleen rond de tafel gaan zitten als er gesproken wordt over een code Tabaksblat voor het betaald voetbal. „Raad van Commissaris, directie en sponsoren zijn veelal nauw met elkaar verweven”, stelt hij. „Een commissaris die tevens zijn diensten van onderneming verkoopt aan een BVO enzovoort. Daar zou ik het nog weleens met mevrouw Ross over willen hebben.”

Als clubs en gemeenten het over één ding eens zijn, dan is het dat er meer moet worden samengewerkt op het maatschappelijke vlak. Zo verdienden daklozen in Maastricht onlangs een centje bij door stadion De Geusselt te schrobben. Spelers van Feyenoord waarschuwen jongeren tegen schoolverzuim en overgewicht. Heracles gaat op bezoek bij gehandicapten. AGOVV organiseert ontmoetingen met amateurvoetballers. En Cambuur vertelt scholieren over het belang van een goed ontbijt.

Ook als gemeenten geen subsidie geven doen zij veel voor het betaald voetbal, is een vaak gehoorde opvatting. Bijvoorbeeld op het vlak van veiligheid en parkeren. „Maar dat betekent niet dat gemeenten een tegenprestatie mogen verwachten”, vindt Bottelier, van Willem II. „Want het blijft lastig aan een voetballer uit te leggen waarom hij na zijn werk moet deelnemen aan een werkloosheidsproject en een medisch specialist vanuit het ziekenhuis gewoon kan doorrijden naar huis.”

Van dat soort argumenten moet Willem Vermeend niets hebben. „Voetbalclubs moeten weer van de straat worden”, zegt de voormalig minister gedecideerd. „En bestuurders mogen blij zijn dat zij zo belangrijk gevonden worden.”