De hypotheekmarkt als de verkoeverkamer voor de bancaire sector

Is er sprake van te hoge rentetarieven op de hypotheekmarkt? In sommige gevallen lijkt de situatie nog ernstiger dan onderzoek aantoonde.

Het gaat goed met de banken. Nu de grootste golf van winstcijfers achter de rug is, mag worden geconcludeerd dat de winstgevendheid in Europese bankensector sterk aan de beterende hand is. Het ene spectaculaire winstcijfer duikelde de afgelopen maand over het andere heen.

Van de Nederlandse banken die hun cijfers al hebben geopenbaard, noteerde ING over het tweede kwartaal van dit jaar een winst van 1,1 miljard euro, vergeleken met een schamele 71 miljoen een jaar geleden. Ook de middelgrote bank Van Lanschot presteert beter. En ABN Amro mag dan volgens bestuursvoorzitter Zalm een verliesgevend jaar draaien, de onderliggende winstgevendheid zal in lijn liggen met de rest van de sector.

Dat maakt het des te brisanter dat de Consumentenbond en de Vereniging Eigen Huis beweren dat de marges op hypotheken alleen maar zijn toegenomen. Ten opzichte van de geldende rentes op de bankenmarkt zelf, rekenen banken stijgende tarieven door aan de huizenkoper of -bezitter. De concurrentiewaakhond NMa wordt verondersteld onderzoek te doen naar de concurrentie op de hypotheekmarkt – al houdt die organisatie liever voor zich welke acties zij al dan niet voorbereidt.

Zijn de marges op hypotheken opgelopen? Er is weinig reden om aan het onderzoek van de Consumentenbond of de Vereniging Eigen Huis te twijfelen. Er is eigenlijk maar één aanmerking: het is erger dan deze organisaties denken.

Het gaat daarbij om hypotheken met een langere, vaste looptijd. Daarvan wordt de rente die banken rekenen aan hun hypotheekklanten vergeleken met de rente die zij zelf betalen voor geld met een vergelijkbare looptijd. Het ijkpunt in veel onderzoeken is hierbij de rente die de Nederlandse staat betaalt.

Banken maken van oudsher bezwaar tegen deze vergelijking. Zij zijn niet zo goedkoop uit als de overheid, maar betalen een tarief dat af te lezen is aan de zogenoemde interbancaire swaprente. Die ligt natuurlijk altijd wat hoger dan de rente die de veel steviger en betrouwbaarder overheid betaalt, en dus zijn de marges tussen de door de banken betaalde rente en de aan hypotheeknemers gerekende rente ook wat kleiner.

Die verdediging gaat echter niet meer op. Tijdens de kredietcrisis dook de swaprente voor het eerst onder de rente die de Nederlandse staat betaalt. En ook nu zijn beide rentetarieven nagenoeg gelijk. Dat komt omdat de referentie voor de swaprente al lang niet meer de Nederlandse staat is, maar de Duitse. Het renteverschil tussen Duitse en Nederlandse staatsleningen liep destijds sterk op.

Banken zijn in het lange segment van de markt dus goedkoper uit dan hun critici denken. Dat geldt niet voor de korter lopende hypotheken. De Nederlandse banksector voert bovendien terecht aan dat spaargeld, dat een belangrijke bron is van hun funding in Nederland schaars is, en dus duur. Burgers sparen flink – en meer dan de gemiddelde Europeaan – maar zetten dat minder snel op een bankrekening. Die schaarste stuwt de kosten, en dus de betaalde spaarrente, flink op.

Bovendien mag banken niet worden aangerekend dat zij hogere risicopremies vragen als de huizenprijzen wankelen en het risico op werkloosheid bij woningeigenaren toeneemt.

De vraag is of er nu sprake van oligopoliegedrag op de Nederlandse hypotheekmarkt, waar de NMa nodig onderzoek naar moet doen. Is de markt, zoals de waakhond het typeerde, ‘kwetsbaar’? De hypotheekmarkt wordt van oudsher verdeeld tussen de grote banken, maar in de afgelopen vijftien jaar betraden kleinere, deels buitenlandse concurrenten de markt. Hoe klein ook hun marktaandeel, ze hadden met hun stunttarieven wel degelijk invloed op de hypotheektarieven.

Onbekende, buitenlandse financiële instellingen kunnen, een kredietcrisis later, minder populair zijn bij het publiek. Dat betekent dat, in ieder geval tijdelijk, de grote binnenlandse partijen het op de markt weer meer voor het zeggen hebben. Om tot hogere rentetarieven te leiden, hoeven die partijen niet noodzakelijk in een rokerig achterkamertje prijsafspraken te maken.

Misschien kan, als er iets aan de hand is, beter worden gesproken van een collusie, een samenspel van een relatief gering aantal partijen die elkaar goed in de gaten houden. En als niemand van die partijen zijn tarieven verlaagt, waarom zouden de anderen dat dan wél doen?

Zeker omdat een herstel van de winst in de sector noodzakelijk wordt geacht om er duurzaam bovenop te komen. De stresstests die voor de bankensector zijn uitgevoerd mogen dan geen lijken in de kast hebben getoond, de buitenwereld weet door de gebrekkige opzet nog steeds niet of de sector werkelijk risicovrij is. Zeker nu het weer dreigt te gaan rommelen in de eurozone.

Banken zijn in de watten gelegd met steunmaatregelen, kapitaalinjecties en een buitengewoon genereus monetair beleid. Nu zij hun gezondheid herwinnen, mag het toezicht op hun onderlinge concurrentie niet worden vergeten.

NRC Handelsblad werkt voor deze rubriek samen met de website MeJudice, www.mejudice.nl

Lezers kunnen reageren op de bijdragen van Maarten Schinkel op nrc.nl/schinkel.