Bundeswehr moet beroepsleger worden

De dienstplicht als een preventie tegen hernieuwd Duits militarisme: dat vindt minister van Defensie Zu Guttenberg een achterhaald concept. Hij bepleit een flexibel beroepsleger.

Toen de nu 23-jarige Jan-Hendrik uit Solingen enkele jaren geleden een oproep kreeg om zijn militaire dienstplicht bij de Bundeswehr te vervullen, deed hij wat veel twintigjarigen in Duitsland doen: hij weigerde en verwees naar artikel 12a, lid 2, van de Duitse grondwet. „Wie uit gewetensbezwaren de krijgsdienst met het wapen weigert, moet vervangende dienstplicht vervullen.” Jan-Hendrik werkte negen maanden in een verpleeghuis en heeft dat geen moment betreurd.

De dienstplicht in Duitsland, lang gekoesterd als een democratisch goed, ligt onder vuur. Dienstplichtigen zouden altijd hebben weten te voorkomen dat het Duitse leger kon uitgroeien tot een ‘staat binnen de staat’; een gevreesde gedachte in de naoorlogse Bondsrepubliek. Volgens de jonge minister van Defensie, Karl-Theodor zu Guttenberg, is dat een achterhaalde opvatting.

Guttenberg (38) is van de generatie die niet door de Tweede Wereldoorlog is beïnvloed, maar door de val van de Berlijnse Muur in 1989. Hij wil de dienstplicht ‘opschorten’. Niet helemaal afschaffen; dat is politiek te omstreden. In de grondwet mag van hem best blijven staan dat mannen vanaf achttien jaar moeten opkomen. Maar dat zou cosmetisch zijn. Zu Guttenberg moet bezuinigen op Defensie. Als zijn plannen doorgaan, zou de dienstplicht in de praktijk dan ook grotendeels worden geofferd aan de besparingen.

De bewindsman is ervan overtuigd dat de Duitse democratie niet wordt bedreigd als de dienstplicht komt te vervallen. Hij oogst kritiek en lof in de publieke opinie. In het Duitse leger, zei politiek commentator Josef Joffe gisteren in dagblad Der Tagesspiegel, „gaat het tegenwoordig om goed opgeleide specialisten en niet om het kanonnenvoer uit de twee wereldoorlogen. De democratie hier berust niet op die 35.000 dienstplichtigen die in zes maanden tijd niet eens goed leren schieten of militair groeten.”

Nog maar 16 procent van de Duitse dienstplichtigen gaat het leger in. De rest is vrijgesteld of vervult vervangende dienstplicht. Vrijgesteld zijn onder anderen mannen die getrouwd zijn, voor een kind moeten zorgen of twee jaar ontwikkelingshulp hebben verricht. Vorig jaar besloot de Bondsdag, het Duitse parlement, dat de dienstplicht van negen naar zes maanden teruggaat; een maatregel die dit jaar is ingegaan.

In West-Duitsland is de dienstplicht van aanvankelijk achttien maanden in de loop der jaren steeds verder teruggeschroefd. In de DDR golden andere mores. Zonder uitzondering moest iedere jongeman achttien maanden in de Nationale Volksarmee dienen. Vervangende dienstplicht bestond niet in de communistische arbeiders- en boerenstaat.

Minister Zu Guttenberg, die met jeugdig elan de krijgsmacht en het vastgeroeste departement van Defensie van hun stofnesten probeert te ontdoen, wil een leger van circa 156.000 man, bestaande uit beroepsmilitairen en kortverbandvrijwilligers. Daarboven zou dan plaats zijn voor ongeveer 7.500 man die hun dienstplicht vrijwillig vervullen.

Volgens kolonel Ulrich Kirsch, voorzitter van de belangenorganisatie van het Duitse leger, wordt de dienstplicht feitelijk afgeschaft als Zu Guttenbergs plannen doorgaan. Hij vreest dat met het verdwijnen van de dienstplicht de Duitse krijgsmacht als beroepskeuzemogelijkheid op de achtergrond raakt. „We concurreren met bedrijven als BMW en die zijn flexibeler met het aantrekken van jonge mensen dan zo’n groot apparaat als de Bundeswehr.”

Kritiek is er ook uit andere hoek. De vele zorginstellingen in Duitsland die decennialang van dienstweigeraars als arbeidskrachten konden profiteren, zijn verontrust over het mogelijk scherp dalende aanbod van tijdelijke werknemers. Maar dit wordt meteen genuanceerd: de huidige zes maanden vervangende dienstplicht wordt door veel instellingen te kort geacht om goed te kunnen functioneren.

Politiek zijn de kaarten voor Zu Guttenberg nog niet geschud. De Duitse dienstplicht is een gevoelig thema. Het wordt beheerst door ideologieën en de spoken uit het verleden: de donkere militaire geschiedenis van Duitsland. Bondskanselier Angela Merkel verschafte laatst op een persconferentie in zoverre duidelijkheid dat ze zei dat de dienstplicht niet uit grondwet zal worden geschrapt. Dat heeft Zu Guttenberg van haar overgenomen. Bij hem heet het: de dienstplicht aussetzen, opschorten.

Bondskanselier en minister lijken zich er terdege van bewust dat het Duitse leger consequenties dient te trekken uit de veranderde veiligheidssituatie in de wereld. Of, zoals Merkel het zegt: „We moeten kijken naar wat voor onze veiligheid haalbaar en wat voor onze militaire bijdragen in internationaal verband te verantwoorden is.” Ze steunt naar eigen zeggen Zu Guttenbergs pogingen om de Bundeswehr „klaar te maken voor de toekomst”.

De pragmatische aristocraat Zu Guttenberg hoopt twee zaken te bereiken. Hij wil de bezuinigingen waarmaken die hem zijn opgelegd door Wolfgang Schäuble, de strenge minister van Financiën. Tegelijk zet hij in op een nieuw ‘veiligheidsconcept’ van een afgeslankte, flexibelere krijgsmacht van vooral beroepsmilitairen.

De dienstplicht verdeelt de Duitse politiek als weinig andere onderwerpen. Bij de regeringspartijen CDU/CSU (christen-democraten) en FDP (liberalen) alsmede bij de grootste oppositiepartij, de sociaal-democratische SPD, zijn de gelederen nog lang niet gesloten. De Groenen zijn voor afschaffing van de dienstplicht. Ze eisen dat de Bundeswehr zo snel mogelijk een beroepsleger wordt.

„Een vasthouden aan de dienstplicht staat de ontwikkeling en modernisering van de krijgsmacht in de weg”, schrijven de oppositionele Groenen in een discussiestuk. Dat is steun uit onverwachte hoek voor de minister van Defensie.