Bergen

Zeg nooit dat je in Bergen logeert, want dat wekt alleen maar misverstanden. De meeste mensen denken dan dat je in Bergen aan Zee zit, maar dat hoeft natuurlijk niet. Zo heb ik bewust voor Bergen-Binnen gekozen, het oude dorp, dat op zeven kilometer van Bergen aan Zee ligt.

De verschillen tussen deze twee Bergens zijn levensgroot. Als ik ze even op een grove manier mag samenvatten: Bergen-Binnen is fraai, Bergen aan Zee lelijk. Daar kan Bergen aan Zee niet zoveel aan doen. Het werd pas in 1906 gesticht, als een soort dependance aan zee van het oude Bergen. Het had bovendien de pech dat veel panden in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers werden afgebroken.

Door die voorgeschiedenis is Bergen aan Zee een toevallig allegaartje gebleven van mooie villa’s, afstotelijke hotels en pensions en karakterloze straten – zo’n dorpje waar je voortdurend zoekt naar een kern die er niet is.

In een van die straten heb ik een poosje staan kijken naar een vervallen pension, waarvan ik de naam maar niet zal noemen omdat de eigenaar het vermoedelijk al moeilijk genoeg heeft. Als ik een sombere Wim Wenders-achtige speelfilm zou willen maken rond een personage dat voortdurend dicht tegen de zelfmoord aan zit, zou ik in dit pension de kamer met het hoogste plafond reserveren. Af en toe een shot van de haveloze voorgevel en het personage dat uit zijn raam naar dit stukje Bergen aan Zee kijkt – veel meer hoef je aan sfeer niet toe te voegen.

Van Bergen aan Zee gebruik ik doorgaans alleen de zee, plus de mooie wandel- en fietsroute die door de duinen naar Bergen-Binnen voert. De esthetische genietingen mogen daar eindelijk beginnen. Nee, ik bedoel nu even niet de gigantische neoklassieke villa die de heer Punt, bioscoopuitbater en vastgoedmagnaat, aan de Breelaan heeft opgericht. Als je dat gezwel van protserigheid eenmaal gepasseerd bent, kun je opgelucht ademhalen en je overgeven aan het fraais van al die grote en kleine villa’s in de lommerrijke dreven van Bergen-Binnen.

Bergen bezit in architectonisch opzicht beroemde huizen, zoals de Amsterdamse School-villa’s van het park Meerwijk, maar het dorp heeft op dit gebied nog zoveel meer te bieden. Op een van mijn wandelingen kwam ik langs de kleine, witte villa van Matthieu Wiegman, de schilder, aan de Meerweg 34. Achterin de tuin stond nog zijn atelier, met in de buitenmuur een mozaïek (Maria met Kind) dat daar na Wiegmans dood werd aangebracht. Op zo’n plek komt opeens veel samen van wat Bergen zo aantrekkelijk maakt: geschiedenis, rust, schoonheid.

Zou ik niet in dit Bergen willen wonen? Nee. Het is meer iets om een paar weken te verblijven. Het is voor mij te mooi, te gaaf, te rustig. Ik hou (nog) meer van het rommelige en onaffe van de grote stad.

Ook bij Bergenaren proefde ik soms een zeker onbehagen over de volmaaktheid van hun dorp. Ik complimenteerde een villa-eigenaar met het vele groen in zijn buurt. „Ik word er wel eens een beetje gek van”, bekende hij. „Alles moet hier groen zijn. Als je ergens een takje afzaagt omdat je wat meer licht wil, krijg je gezeur.”

Een andere bewoner, zelf al in de zestig, klaagde over de vergrijzing van het dorp. Jongeren trekken weg, de huizen zijn te duur.

Alles heeft z’n prijs – ook het geluk.