Tip voor diplomaten: ga niet alleen praten

Hoe moeten Nederlandse diplomaten omgaan met zorgen in Arabische landen over de PVV? Buitenlandse Zaken legt helaas de nadruk op ‘zenden’, zegt voormalig diplomaat Petra Stienen.

Vorige week kwam een uitgelekt advies aan Nederlandse diplomaten in het nieuws over de rol van de PVV in de kabinetsformatie. Het is logisch dat demissionair minister Verhagen zo’n advies doet uitgaan. Zo’n 60 procent van ons bruto nationaal product wordt in het buitenland verdiend. Ook voor het binnenlands investeringsklimaat is het van groot belang dat Nederland als een stabiel en betrouwbaar land wordt gezien. Het werken aan positieve beeldvorming is dan ook dagelijkse kost voor diplomaten.

Alleen komen mijn oud-collega’s in het Midden-Oosten door deze instructie in een lastig parket. Ze worden namelijk alleen op ‘zenden’ gezet. Zo moeten zij benadrukken dat de Grondwet niet zomaar kan worden veranderd, en dat de Koran en moskeeën niet zomaar verboden kunnen worden. Nergens blijkt dat diplomaten een instructie hebben gekregen om goed te luisteren, naar de reacties in de Arabische wereld op het feit dat in Nederland een anti-islampartij nodig is om een zogenoemd minderheidskabinet te vormen.

Dat terwijl de economische belangen in die regio groot zijn. Multinationals als Unilever, Philips en Shell, maar ook het midden- en kleinbedrijf verdienen goed geld in die regio. De import van gas uit landen als Algerije, Qatar en Saoedi-Arabië staat hoog op de Nederlandse, geopolitieke agenda. Op een Arabische boycot van Nederlandse producten zit niemand te wachten. Natuurlijk gaat het niet alleen om economische belangen: een mensenrechtenbeleid in de Arabische wereld is alleen geloofwaardig als Nederland in eigen land respect toont voor andere religies en minderheden.

Het imago van Nederland in het Midden-Oosten is behoorlijk verslechterd. Zo hoorde ik tijdens recente bezoeken aan vrienden in Damascus, Beiroet en Kaïro grote zorgen over de verrechtsing en anti-islamstemming in Europa en vooral in Nederland. Mijn vrienden zien hoe naast Denemarken, Frankrijk en Zwitserland nu ook Nederland steeds meer onderscheid maakt tussen de burgerrechten van ‘echte Nederlanders’ en die van migranten en moslims. Mensenrechtenactivisten die zich jarenlang gesteund voelden door ons land, vragen zich af of we ons nog aan onze eigen normen en waarden houden. Zakenlieden zeggen reizen naar Europa en Nederland af uit angst voor een anti-buitenlands klimaat. Ze richten zich liever op Azië.

De huidige regering doet via bezoekersprogramma’s pogingen om het imago van Nederland bij te stellen. Zo zat ik onlangs als gastspreker aan tafel met zestien Arabische journalisten uit bijna alle landen uit de regio. Zij waren in Nederland voor gesprekken over democratie, verkiezingen, integratie en media. Ze hadden evenals mijn vrienden in de Arabische wereld de sterke overtuiging dat de situatie van moslims en migranten in Nederland heel slecht is. Hun bereidheid om te luisteren naar een ander verhaal was opvallend. Na een week in Nederland waren ze duidelijk van gedachten veranderd. Het merendeel had gezien dat moslims en migranten in Nederland meer rechten, vrijheden en mogelijkheden hebben dan in vele islamitische landen. Het was een geruststelling voor hen dat de aanhang van Wilders nog steeds een minderheid is en dat bijna 85 procent van de kiezers op andere partijen heeft gestemd.

Tijdens dit diner realiseerde ik me weer dat in elk gesprek mensen pas bereid zijn om te luisteren als ze zichzelf ook gehoord voelen. En juist daar gaat het zo vaak mis in de relatie met de Arabische wereld. Ook de journalisten waren teleurgesteld omdat ze in een aantal ontmoetingen met Nederlandse opiniemakers en maatschappelijke organisaties geen kans kregen om hun verhaal te vertellen. Zo voelden ze zich niet serieus genomen in hun kritiek op de uitzonderingspositie die Nederland inneemt binnen Europa met zijn pro-Israëlbeleid. Volgens de Arabische journalisten ondermijnt Nederland door de toepassing van ‘dubbele maatstaven’ de geloofwaardigheid van het mensenrechtenbeleid. Ze zijn het erover eens dat er veel mis is met de mensenrechten en vrijheid van meningsuiting in hun regio en dat daar echt iets aan moet gebeuren – het liefst van binnenuit, soms met hulp van buiten. Ze storen zich tegelijkertijd enorm aan het gebrek aan aandacht in Nederland voor de schendingen die Israël pleegt in Gaza en de Westelijke Jordaanoever. Dat Wilders Israël ziet als een bolwerk in de strijd tegen de islam verhoogt hun angst dat het toekomstige kabinet het Midden-Oostenbeleid zal laten bepalen door dat standpunt. Een journalist vroeg zich af of de Nederlandse regering en burgers dit soort geluiden uit de Arabische wereld eigenlijk wel willen horen en er iets mee willen doen.

Ik maak me zorgen over de geloofwaardigheid van de Nederlandse diplomatie in de Arabische wereld als de VVD en het CDA met de PVV tot overeenstemming komen. Ook al valt het buitenlands beleid buiten het gedoogakkoord, een minderheidskabinet met gedoogsteun van een anti-islampartij blijft lastig uit te leggen in die regio. Ik vrees dat er veel meer instructies aan diplomaten volgen waarbij ‘zenden’ centraal staat. Dat is op zich onderdeel van hun baan. Maar mogen de diplomaten ook aanhoren hoe dit nieuwe kabinet in de Arabische wereld wordt gezien? Of krijgen diplomaten dan het verwijt dat ze aan ‘localitis’ lijden: zich te veel vereenzelvigen met hun gastland?

Wilders’ antwoord kennen we: waarom moeten we ons iets aantrekken van wat mensen in de Arabische wereld vinden van Nederland? Daarmee gaat Wilders voorbij aan het enorme belang van een positief imago in het buitenland. Veiligheid van Nederlandse belangen en burgers en een groeiende economie door export zijn ook voor zijn achterban relevant.

Minister Verhagen schreef afgelopen maart in een brief aan de Tweede Kamer over beeldvorming in landen met een moslimmeerderheid: „Door te luisteren naar het buitenlands publiek, kan buitenlands beleid zorgvuldig geformuleerd worden en bijdragen aan de geloofwaardigheid van en het vertrouwen in de Nederlandse overheid.” De politicus Verhagen lijkt zich een half jaar later weinig meer van dit standpunt aan te trekken. Bij Fitna kon hij nog zeggen dat Wilders geen onderdeel van de regering was. Nu gaat hij in zee met dezelfde politicus die waar het maar kan zijn anti-islamgeluid laat horen. Blijkbaar legt hij de mogelijke gevolgen naast zich neer voor het imago van ons land en voor onze belangen in de Arabische wereld. Die verantwoordelijkheid ligt natuurlijk niet bij de diplomatie, maar bij de onderhandelaars van de VVD en het CDA.

Petra Stienen werkt als senior adviseur op gebied van democratie en diversiteit. Daarvoor werkte ze zeventien jaar bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, o.a. op de ambassades in Kaïro en Damascus. Hierover schreef zij het boek Dromen ven een Arabische Lente. Een Nederlandse Diplomate in het Midden-Oosten (Nieuw Amsterdam, 2008).