NSB op internet

De Koninklijke Bibliotheek wil het niet „op de spits drijven”. En het ministerie van Justitie bestudeert de kwestie nog. Maar het plan om acht miljoen historische krantenpagina’s uit de periode 1618-1995 te digitaliseren, dreigt een krasje op te lopen. Onherroepelijk komt men dan ook de ‘foute kranten’ uit de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw tegen.

In het bijzonder de NSB-kranten. Herpublicatie daarvan komt neer op het opnieuw verspreiden van de haatcampagnes en scheldpartijen tegen Joden en politiek andersdenkenden die toen werden afgedrukt. Naar de maatstaven van nu zijn die uitingen strafbaar. En die maatstaven zijn een reactie op uitgerekend diezelfde periode. Vrij snel na de oorlog zag de wetgever een direct verband tussen de gruwelen van het fascisme en de haatcampagnes die eraan voorafgingen. Toen werd het volk ontvankelijk gemaakt voor de bijbehorende ideologie, was de gedachte.

In de naoorlogse ‘dit nooit weer’-consensus werd daarop haat zaaien strafbaar gesteld. Bedoeld om „de volksverruwing in woord en geschrift” te bestrijden en „de volksvergiftiging die haat en wrok in de harten zaait en dreigt gevaarlijke stemmingen in een deel van het volk teweeg te brengen”.

Met de herpublicatie van de NSB-kranten springt nu dus het even historische artikel 137 d uit het Wetboek van Strafrecht als een duveltje uit een doosje naar boven. Wat toen niet had moeten kunnen en we daarna nooit meer zouden toelaten, dreigt dat nu opnieuw te gebeuren? Bij Justitie vreest men van wel.

Tegen haat zaaien treedt het Openbaar Ministerie op, ook als het op internet gebeurt. Antisemitische websites worden gesloten, webmasters beboet. Een blogger die doodsbedreigingen aan politici herplaatst en daar „Wilders met de dood bedreigen doe je zo” aan toevoegt, moet terecht vragen van de politie beantwoorden. Ook op internet is de uitingsvrijheid niet totaal. Daarom ook moet PVV-leider Geert Wilders zich voor de Amsterdamse strafrechter verantwoorden, onder meer voor zijn film Fitna. De maatschappelijke norm is dat er geen klimaat mag ontstaan waar haat en geweld in de democratie gewoon zijn.

Als historisch ijkpunt geldt daarvoor de giftige geest uit de jaren dertig. Tot de wetgever er anders over denkt, is dat dus de context waarbinnen het Openbaar Ministerie opereert. Daarom ook is een heruitgave van Hitlers Mein Kampf in Nederland verboden.

Het delict haat zaaien met zijn wortels in de jaren 30 is niet achterhaald. Wat niet wil zeggen dat de foute kranten van toen vandaag nog even fout zijn. Over Mein Kampf wordt al genuanceerder gedacht. In een wetenschappelijk becommentarieerde heruitgave zou dat boek binnen de juridische normen kunnen blijven. De sleutel is de historische context: als die duidelijk is moet er heel veel mogelijk zijn. Boeken en kranten uit die tijd hoeven niet weggehouden te worden. De vrije burger kan die verantwoordelijkheid heus wel aan.