Naar het klooster om je op te laden

Voor een weekend in een klooster bestaan wachtlijsten.

Vaste bezoekers verbinden zich aan zo’n religieuze gemeenschap: ze worden oblaat. Wat beweegt hen?

Toin Coolen is iemand die je eerder met een sportschool dan met een klooster associeert. Donkere ogen, gemillimeterd haar, drie-dagen-baardje, voorkeur voor merkkleding. Werkte ooit bij McDonald’s en werd daarna marinier. Noemt zichzelf „iemand die graag de grenzen opzoekt”. Hij is getrouwd, heeft twee puberkinderen en werkt nu als beleidsmedewerker bij de Sociale Dienst Drechtsteden.

Coolen heeft zich als oblaat verbonden aan de benedictijner kloostergemeenschap van de Sint Willibrords Abdij in Doetinchem. Oblaten zijn leken die, in verbondenheid met een bepaald klooster, hun leven aan God geven. Bij zijn verbintenis aan de gemeenschap heeft Toin beloofd „om onder leiding van het Evangelie en in de geest van de Heilige Benedictus zijn weg te gaan”. Een belofte die voor de rest van zijn leven geldt.

Van huis uit is Coolen katholiek. „Zoals elke Brabander”, zegt hij. „Ik kende wat Bijbelverhalen, die ik als een soort sprookjes beschouwde. En opportunistisch bidden deed ik ook wel eens, voor een moeilijk tentamen bijvoorbeeld.”

Zijn ouders raakten echter ernstig teleurgesteld in de kerk en in God. Ook bij hem raakte het geloof buiten beeld. Coolen: „Acht jaar geleden overleed mijn broer op 37-jarige leeftijd. Zijn laatste vraag was: jullie vergeten me toch niet? Het perspectief van de dood deed me beseffen dat ik me toch vooral druk maakte over dingen die er uiteindelijk niet veel toe doen. In die periode ben ik door iemand meegenomen naar het klooster in Doetinchem. Door de stilte-retraite daar, waardoor je los raakt van alle prikkels die van buitenaf komen, kom je er achter wie je zelf bent. Ik werd me ervan bewust dat ik met boosheid rondliep, dat ik mensen de schuld daarvan gaf. En dan ben je op het terrein van de religieuze vragen: schuld, boete, vergeving.”

Coolen wilde de rust en de spiritualiteit die hij in het klooster ervoer meenemen naar zijn dagelijks leven. De regels van Benedictus bleken voor hem een ideale inspiratiebron. Hij kiest nu bewust dagelijks stiltemomenten, zowel thuis als op zijn werk. „Ik ben opgehouden ’s morgens in de trein een paar kranten te lezen. Die geven zo’n enorme last aan informatie dat je psychisch vervuild op je werk komt. Ik zet overdag vaak mijn mail uit om me goed te kunnen concentreren op mijn werk, zonder voortdurend afgeleid te worden door andere impulsen. En ik heb het gebruik van nicotine en cafeïne beperkt. Ik probeer mijn dag zo te organiseren dat ik midden op de dag piek en tegen het einde van de dag rustig afbouw.” Regelmatig keert Coolen terug naar Doetinchem om zijn accu op te laden.

Het benedictijner klooster bij Doetinchem werd in het begin van de jaren vijftig gesticht. Aanvankelijk hielden de paters zich bezig met de stierenfokkerij. Net als in andere kloosters is het aantal monniken er de laatste jaren sterk teruggelopen. Na het vertrek kortgeleden van drie broeders telt de gemeenschap nog zes leden. „Gastvrijheid is onze corebusiness geworden”, zegt abt Rien van den Heuvel. De stallen werden omgebouwd tot een goed geoutilleerd stiltecentrum, waar ruim twintig mensen ontvangen kunnen worden. Het klooster zelf telt acht eenvoudige gastenkamers, die alleen voor mannen beschikbaar zijn. Daarnaast kunnen er ook gasten ondergebracht worden op het nabijgelegen kasteel Slangenburg. Ze kunnen desgewenst deelnemen aan de zes dagelijkse gebedsdiensten die de monniken in de kapel houden; de eerste ’s morgens om kwart over zes, de laatste ’s avonds om half negen.

Lange tijd had het klooster maar een beperkt aantal oblaten, van wie de meesten een slapend bestaan leidden. De laatste jaren is hun aantal sterk gegroeid. Nu zijn het er meer dan honderd, onder wie dertigers en veertigers uit alle rangen en standen van de samenleving. Er worden zaterdagse cursussen gegeven voor aspirant-oblaten. Dit voorjaar traden vier oblaten toe en voor de nieuwe cursus die in september begint hebben zich zeven kandidaten gemeld.

Hoe verklaart abt Rien van den Heuvel die groeiende belangstelling? „De nieuwe oblaten worden duidelijk door honger gedreven”, zegt hij. „De plaatselijk kerk is soms een erg kleine groep geworden. Parochies worden opgeheven en samengevoegd. Bij gebrek aan priesters wordt er vaak geen eucharistie gevierd. Wie geestelijk ondervoed raakt, gaat op zoek. Zo is ook een gereformeerde emeritus predikant hier terechtgekomen, die het in zijn eigen gemeente niet meer vond. Ja, protestanten zijn ook welkom bij ons.”

Het is niet de bedoeling dat oblaten een soort monniken buiten het klooster worden. Ieder moet zijn affiniteit met de leefregels van Benedictus invulling geven op een manier die past bij zijn situatie en levensfase. Dat is voor iemand die nog in de kleine kinderen zit heel anders dan voor een gepensioneerde. Wie oblaat wil worden, schrijft daarvoor een sollicitatiebrief. Abt Van den Heuvel: „Wij proberen in een dubbelgesprek met de oblatenpater en mij uit te zoeken of iemand echt geschikt is voor de oblatuur. Na een proefjaar hebben we een gesprek hoe iemand spiritualiteit vormgeeft in zijn dagelijks leven. Je hoeft geen actief kerklid te zijn, maar wie geen innerlijke verwantschap ontwikkelt met ons gedachtegoed adviseren we nog wat te wachten.”

Carry Schepman en Pim de Bruijn uit Huissen zijn beiden oblaat, maar geven dat heel verschillend vorm. Schepman, directiesecretaresse bij het Nederlands Instituut voor Ecologie, doet tweemaal daags een stiltemeditatie van een klein halfuur. Haar man Pim de Bruijn, zelfstandig adviseur bij het opzetten van nieuwe ondernemingen, zegt daarvoor veel te ongedurig te zijn. „Ik kan niet mediteren, daar krijg ik ernstige jeuk van. Ik beperk me tot het lezen van een psalm, wat ik het gemakkelijkste vind, of het lezen in de regels van Benedictus, die minder eenvoudig zijn. Ook probeer ik enkele van die regels in het dagelijkse leven toe te passen.”

De Bruijn raakte ooit als kind al betrokken bij de kloostergemeenschap, waarvan zijn vader en moeder ook oblaten waren en waar zij ook zijn begraven. Hij bracht er een deel van zijn vakanties door, op de tractor met de broeders. „Ik denk dat mijn vader stiekem gehoopt heeft dat ik ook monnik zou worden.” In de afgelopen jaren heeft het paar weer een nauwe band met het klooster opgebouwd. Minstens één zondag in de maand brengen ze samen in Doetinchem door. Oblatenpater Henry Vesseur heeft onlangs hun nieuwe huis ingezegend. „Een idee van de abt”, zegt Schepman, die sinds kort het secretariaat van de oblatuur voert. De band met de abdij heeft een extra dimensie aan hun leven toegevoegd, ervaren Schepman en de Bruijn.

Toin Coolen ziet de toegenomen belangstelling voor de oblatuur als onderdeel van een hernieuwde religiositeit. „Het aantal rollen dat de mens speelt is sterk toegenomen. Al die rollen worden topsport, of het nu om vaderschap gaat of om je baan. Bovendien fragmentariseert het leven steeds meer: korte relaties, korte dienstverbanden. Dan heb je behoefte aan een zinvol verhaal dat het leven weer tot eenheid maakt. Oude tradities kunnen daar de woorden voor leveren.”

Inmiddels is Coolen, naast zijn werk bij de Sociale Dienst, religiewetenschappen gaan studeren. „Misschien kan ik daar in de toekomst iets mee, bijvoorbeeld in een ziekenhuis. Mensen verliezen daar de vanzelfsprekendheden van het leven. Er wordt ook nieuw leven geboren. Soms zijn dat gebeurtenissen die niet in je eigen biografie passen. Proberen woorden te vinden om iemands biografie weer sluitend te maken, dat spreekt me aan.”

Voor meer informatie over de Sint Willibrords Abdij: www.willibrords-abbey.nl