Liever terug naar de jaren vijftig

Deze zomer duikt nrc.next in het verenigingsleven.

Vandaag: de Bond tegen het vloeken, die in Barneveld USB-sticks uitdeelt aan nieuwe leden.

Zoals elke Vlaamse leerling van een katholieke school moest ik er op mijn twaalfde aan geloven: mijn gedoopte ziel diende te worden bezegeld met een Plechtige Communie (Heilig Vormsel). In ruil voor een gigantisch groot feest met gigantisch veel cadeaus zou de Heilige Geest voorgoed op mijn blonde bol neerdalen.

Maar ik was nog niet bekomen van mijn Eerste Communie, en dan met name van mijn communiekaartjes. Daarop stond iets in de trant van: ‘Ik wil leven voor de Heer / Hij houdt van mij / Ik ben helemaal van Hem.’ Dat was niet zo, en toch deelde ik die kaartjes uit. Geit! En zo’n hypocriet spel moest ik nu opnieuw spelen? Dat mijn klasgenootjes – bij lange na geen devote types – zoiets deden in de hoop een televisie te krijgen (mét videorecorder), dat was hun probleem. Ik deed niet mee.

Helaas moest ik wel mee ‘op retraite’: we moesten met z’n allen op bezinningsweekend, ergens tussen het groen. Een onderdeel van dat weekend behandelde het fenomeen ‘naam’. De naam van God, zo leerden we, is heiliger dan een mensennaam. Je schoolkameraad kan je immers zomaar uitmaken voor ‘domme kalle’, ‘stomme trunte’ of ‘dove seute’, maar doe je zoiets met de Heer, dan overtreed je een gebod. Het derde, meen ik me te herinneren.

Die verdrongen herinneringen kwamen pas weer bovendrijven toen ik naar Nederland kwam. Ik stond op het Centraal Station van Amsterdam, en van alle kanten schreeuwden tekstballonnen op groene posters mij toe: ‘Femke!’ ‘Willem!’ ‘Daan!’ Sorry? ‘Vreemd’, zeiden de kleine lettertjes. ‘Van de 20.000 roepnamen horen we er maar één als stopwoord: Jezus. Voor veel mensen is deze naam heilig. Gebruik deze naam daarom met respect.’ Was getekend: de Bond tegen het vloeken.

De Bond tegen het vloeken?

Are you kidding me?

Ik sprak erover met mijn niet-Hollandse vrienden, die van ergernis gingen vloeken. Ook zij konden met de beste wil van de wereld het nut van zo’n Bond niet inzien.

Maar vandaag heb ik de allerbeste wil van de wereld. Ik ben op weg naar Barneveld, waar de Bond tegen het vloeken deelneemt aan een buitenbeurs. Ik heb er zin in. Zelfs als mijn trein door NS-stations raast die geteisterd lijken door een bezetene – poster na poster flitst voorbij, witte zwanen en de tekst: ‘Praat liever met elkaar, vloeken is onnodig’ – zelfs dán hapert mijn goodwill slechts even.

Barneveld, Biblebelt. Alleen besef ik dat nog niet. Tegenover het station, in de tuinen van Kasteel De Schaffelaar, krioelt het van de groepjes ouderen en de koppels met kinderwagens. De tiende editie van ‘Naar Buiten’ staat blijkbaar garant voor een fijn dagje uit. Er worden bloementaarten verkocht, luchtreinigers aangeprezen en schoonmaakmiddelen gedemonstreerd. Wat dit alles met ‘buiten’ te maken heeft, ontgaat me; oergezellig is het wel.

Een metershoge papegaai op een flipboard kondigt de stand van de Bond aan. ‘Gratis USB-stick voor nieuwe donateurs!’ Drie oudere heren met naamkaartjes zijn druk in gesprek met enkele bezoekers. „U hoeft niets te doneren”, hoor ik een van hen zeggen, „U bent tot niets verplicht.” Op een tafel liggen muismatten (met papegaai), cd’s (‘Heerlijk is Uw naam’) en een heleboel woordgrapjes, van tandenborsteltjes (‘Poets je taal’) tot potloden (‘Botte woorden, maak er een punt van’).

Vooral de ballonnen en de stickers zijn populair bij kinderen. Keurige kinderen, trouwens. Witte sokjes, geruite bloesjes, gekamde haartjes – jeetje, het valt me nu pas op. En wat zijn die moeders jóng! Dat dit nog gebeurt, in Nederland.

Achter de tafels zit de man die de kleine 200 vrijwilligers uit heel het land coördineert. Bert Gijsbertse (56) is een van de negen betaalde werknemers van de Bond. Hij nodigt me uit achter de tafel en schenkt me een bekertje Cup-a-Soup in. „Een mens die vloekt is niets minder waard dan een mens die niet vloekt”, zegt hij, „maar ik houd niet van onwelvoeglijke taal. Ik erger me zeer aan misbruik van Gods naam, en daarin sta ik niet alleen. We willen mensen bewust maken van hun taalgebruik.” De Bond is bij de Belastingdienst niet voor niets geregistreerd onder de statutaire naam ‘Bond tegen het schenden door het vloeken van Gods heilige Naam’.

Bert kijkt op mijn notitieblok, waar ik nog snel voor vertrek zijn naam en nummer heb neergekrabbeld. „Het is Gijsbertse”, zegt hij koel, „niet Gijsbergen.” O ja, namen – daar was iets mee in christelijke sferen. Op de thermosfles prijkt een sticker met papegaaienslogan. ‘Vloeken is aangeleerd’, lees ik, ‘word geen naprater’. „En Bond tegen het vloeken is met grote B, kleine t, kleine h, kleine v.” Ik knik. Ik begin nu al een beetje moe te worden. „Men heeft het ook weleens over de Bond vóór het vloeken”, zegt Bert, „dat is niet goed.”

Oké. Dus. Denkt hij dat het helpt? Die Bond. Tegen dat vloeken. „Onze Vloekmonitor liet in 2007 zien dat er veertig procent meer werd gevloekt op televisie in vergelijking met 2000”, geeft Bert toe. „Maar ik denk toch dat het helpt. Doe je niets, dan neemt het vloeken nog meer toe, en niemand houdt ervan uitgescholden te worden.” Zeven op de tien Nederlanders vinden dat vloeken niet kan, blijkt uit onafhankelijk onderzoek. Daarom blijft de Bond 100.000 euro per jaar betalen aan het bedrijf dat posters op NS-stations plakt. En daarom laat dat bedrijf de anti-vloekposters langer hangen als er geen andere posters te plakken zijn.

Ik ga praten met Teun den Dikken (69), die vrijwilliger werd via een andere vrijwilliger. Teun was actief in de kerk en van het een kwam zo’n twintig jaar geleden het ander. Lange tijd deed hij telefoonwerk: hij belde scholen om hen te overtuigen een actie van de Bond te organiseren. „Het is heel belangrijk om jongeren erbij te betrekken.” Want de oude leden gaan dood. Hij zegt het zelf letterlijk: „Ze sterven.”

O jee.

Maar Teun lijkt er niet mee te zitten. Tevreden kijkt hij toe hoe een meisje met vlechtjes lonkt naar een pluchen papegaai. „Kom Petra”, tuttuut haar vlekkeloze moeder, „we zijn al lid.” Teun glimlacht. „Dit soort beurzen is echt iets voor onze donateurs”, zegt hij. „Hier hebben we meer kans van slagen.”

En opeens weet ik het: deze Bond wil dat de rest van Nederland een voorbeeld neemt aan de mensen hier. Aan mensen die óf opgroeiden in de jaren vijftig, óf zijn blijven steken in de jaren vijftig. In die mooie tijd waarin de kinderen er nog keurig bij liepen, de vrouwen vroeg en veel kinderen baarden, en de mannen actief waren in het ‘kerkelijk gebeuren’. Maar vooral: in de jaren dat niemand, echt helemaal niemand, het in zijn hoofd haalde te schenden door het vloeken. Laat staan te schenden door het vloeken van Gods heilige naam.