Het aantal plakken zegt ook niet alles

Een verzwakte Nederlandse zwemploeg behaalde relatief weinig medailles bij de EK.

Toch is er volgens coach Jacco Verhaeren reden tot optimisme in Nederland.

Het was in 2000 dat een zwemliefhebber enthousiast tegen Jacco Verhaeren riep: het gaat goed met het Nederlandse zwemmen! Het was het jaar van ‘Sydney’, het gouden tijdperk van Pieter van den Hoogenband en Inge de Bruijn. Het antwoord van de coach was kort: „Het gaat goed met een paar zwemmers, niet met het Nederlandse zwemmen.”

Wie over enkele jaren de Nederlandse verrichtingen tijdens de EK in Boedapest overziet zal niet steil achteroverslaan van de prestaties van de jaargang 2010. Alleen marathonzwemster Linsy Heister behaalde goud, op het Balatonmeer. Voor de baanzwemmers bleef de teller op nul. De ploeg verzamelde twee zilveren en vier bronzen plakken. Dat steekt schril af bij de oogst van de vorige EK (Eindhoven, 2008): viermaal goud, drie keer zilver en drie keer brons.

Toch is zwemcoach Verhaeren, sinds vier jaar ook technisch directeur van zwembond KNZB, te veel kenner om zich te laten leiden door medailleklassementen. „Zo’n klassement vertroebelt alleen maar of het goed gaat of niet”, zei hij gisteren. Halverwege de olympische cyclus van Peking (2008) naar Londen (2012) toont de coach zich „heel tevreden”. Hij zegt vooral naar de progressie van de hele ploeg te kijken. „Die is goed. Er gaat hier bijna geen zwemmer weg zonder persoonlijk record. Daarnaast hebben we een aantal medailles gewonnen. Maar ik kijk liever naar de groei van het prestatieniveau, vooral in de breedte. En nog belangrijker: de ontwikkeling van de jeugd. Dat hebben we nodig om door te groeien naar onze ambitie: bij de beste tien zwemlanden van de wereld te horen.”

In de breedte is Nederland de afgelopen jaren ontegenzeglijk sterker geworden. Typerend was de prestatie van de mannenestafetteploeg, die gisteravond brons won op de 4x100 meter wissel, achter Frankrijk en Rusland. „Dit is heel goed voor het mannenzwemmen”, zei Lennart Stekelenburg na afloop. De laatste medaille op dit nummer behaalde Nederland in 1999 (goud in Istanbul).

Werd het beeld in het verleden nog weleens scheef getrokken door de aanwezigheid van toppers als ‘VdH’, De Bruijn of Marleen Veldhuis, in Boedapest werd het beeld vertekend doordat de belangrijkste toppers ontbraken: de gedwongen afwezigheid van olympisch estafettekampioenen Veldhuis, Ranomi Kromowidjojo en Inge Dekker kostte de ploeg volgens Verhaeren zo’n zes medailles.

De zwemmers hadden op het Margiteiland in Boedapest mooi vergelijkingsmateriaal. Vier jaar geleden werd hetzelfde evenement al in hetzelfde zwemcomplex gehouden. Toen zwommen ‘jonkies’ als Femke Heemskerk, Sebastiaan Verschuren en Lennart Stekelenburg anoniem mee in de series.

Deze week vonden zij met hun eerste individuele medailles aansluiting bij de Europese top. Dat gold ook voor vlinderslagspecialist Joeri Verlinden, die zaterdag onder het Europese record op de 100 meter dook, maar toch enigszins teleurgesteld genoegen moest nemen met zilver. De meeste indruk maakte misschien nog wel Sharon van Rouwendaal, die zich bij haar debuut brutaal naar twee finales zwom. Verhaeren had zijn nieuwe pupil vooral naar Boedapest meegenomen om ervaring op te doen. Maar dat ze de finale van de 100 meter rugslag zou kunnen halen had zelfs hij niet verwacht. „Dan heb je het over iemand van zestien jaar.”

De zwembond is ervan overtuigd dat de verbreding van de top mede het gevolg is van de nieuwe structuur die Verhaeren in 2006 ontwierp voor het Nederlandse topzwemmen. De nationale zweminstituten in Amsterdam en Eindhoven draaien op volle toeren, gevoed door de nieuw opgezette regionale trainingscentra voor talentvolle junioren in Drachten, Amsterdam, Eindhoven en Dordrecht. Inmiddels zwemmen vrijwel alle toppers bij een van de centra. „Nu blijkt dat die trainingscentra geen luchtkastelen zijn”, zei Verhaeren.

Maar hij vindt wel dat Nederland keuzes moet maken als het gaat om topsport in de toekomst. Volgens Verhaeren zijn ook in het zwemmen extra investeringen nodig om de concurrentie aan te gaan met toplanden als Australië. Maar ook voor ‘Londen’ ligt er nog veel werk. Finales zijn nog geen medailles en de stap naar de wereldtop is voor de meesten nog groot.

Typerend was het toernooi van rugslagspecialist Nick Driebergen. Hij bereikte drie finales, maar miste telkens het podium en kijkt inmiddels op tegen de Fransman Camille Lacourt. Driebergen was hem eerder dit jaar nog de baas geweest. „Ik heb de aansluiting met de Europese top een beetje gevonden. Maar mijn doel heb ik niet bereikt.” De pupil van Martin Truijens ziet vooral een mentale barrière. „Iedereen heeft het er maar over dat ik een medaille kan pakken. Daar moet ik me voor leren afsluiten.” Volgens Truijens moet hij finales leren zwemmen. „Ik dacht eerst: wat lul je nou, je moet het gewoon doen. Maar hij heeft natuurlijk wel gelijk. Ik ben de enige rugslagzwemmer in Europa die alle drie finales heeft gezwommen. Maar ik was volgens mij ook de enige die geen medaille had. Gelukkig heb ik hem in de wisselslagestafette alsnog behaald.”