Eerst zien, dan geloven

‘Geen woorden, maar daden” – als er één uitspraak is die bij bijna iedereen op instemming kan rekenen, is het die wel. We zeggen vaak zulke dingen: „Ja, hij kan mooi praten, maar nu nog wat doen.” „Eerst zien, dan geloven.”

Taal kan heel goed dienen als sluier over de werkelijkheid, sommige taal lijkt er wel speciaal voor ontworpen. Hoe makelaars een huis kunnen aanprijzen! Hoe projectontwikkelaars kunnen spreken over nieuwe plannen! Hoe politici het probleem van de werkloosheid elegant kunnen oplossen door te spreken over ‘stimulerende maatregelen om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan’, wat in werkelijkheid betekent dat veel mensen geen uitkering meer zullen krijgen.

Taal kan heel verhullend en onoprecht zijn. Dus dan zeggen we: ik kijk wel naar wat ze doen. Dat is vaak verstandig. Mensen zijn wat ze doen, niet wat ze zeggen.

Dat schreef ook hoogleraar cognitieve neurowetenschap Victor Lamme in zijn boek over de vrije wil (De vrije wil bestaat niet): „Iemands ware ik blijkt uit zijn daden, niet uit zijn woorden.” En hij vraagt zich af: „Kunnen we iemands ‘ware ik’ dan met een hersenscan boven water halen?”

Dat denkbeeld is fascinerend, niet alleen trouwens als het om anderen gaat. Je zou soms zelf ook wel willen dat iemand je brein aflas en zei: „Dit zal je beslissing zijn. Je weet het zelf misschien nog niet, het bewustzijn komt weer eens te laat met zijn verhalen, maar je hebt je besluit al lang genomen.” En dan niet alleen bij simpele zaken als de aanschaf van een duur paar schoenen – want van zulk soort dingen kunnen hersenonderzoekers, beter dan ons bewustzijn, voorspellen wat we gaan doen – maar van meer gecompliceerde situaties.

En wat we blijken te zullen doen: wegrennen als het moeilijk wordt, zwijgen op een moment dat spreken beter geweest was, meepraten in plaats van protesteren, leuk uitgaan in plaats van iemand te bellen die wel wat aandacht kan gebruiken, dat is ons ‘ware ik’.

Het is een moeilijk concept, vind ik, ‘het ware ik’. In een reactie op mijn column van twee weken geleden, waarin ik betwijfelde of er zoiets bestaat, schreef Victor Lamme mij dat iemand die zegt van zijn gezin te houden maar daar nooit tijd voor vrijmaakt, (hij neemt als voorbeeld André Rouvoet), eigenlijk ‘geen zier’ om zijn gezin geeft. Het punt is niet eens dat hij zit te liegen: „Hij – zijn kwebbeldoos – vindt waarschijnlijk zijn gezin echt belangrijk. Maar zijn brein laat hem andere dingen doen: werken, werken, werken. Dat is dan zijn ware ik, in mijn visie van de mensheid.”

Het bewustzijn, ‘de kwebbeldoos’ zoals Lamme dat noemt, beweert los van ‘het brein’, het onbewuste, van alles en nog wat, maar er is weinig reden omdat serieus te nemen als die twee niet stroken.

In eerste instantie en in heel veel latere instanties ook, ben je geneigd het daarmee eens te zijn. Er moet een overeenkomst zijn tussen wat iemand zegt en wat hij of zij doet.

Maar om ‘het ware ik’, ‘hoe iemand is’ helemaal gelijk te stellen met gedrag (dat dan bovendien weer door hersenlezen accuraat voorspeld zou kunnen worden), dat gaat me toch te ver. We kunnen ons gedrag bovendien veranderen, we zijn in staat, onder invloed van ons bewustzijn, dingen anders te gaan zien en ons daarnaar te gedragen.

We hebben, na te hebben nagedacht, spijt van nalatigheid of onaardigheid. We komen terug op een beslissing. Die dingen gebeuren door, bewust, na te denken.

Als iemand mij een streek heeft geleverd, maar hij heeft daar spijt van, en komt dat zeggen, dan kan mijn antwoord moeilijk zijn: ik kijk alleen naar je daden. Doet hij het daarentegen steeds weer, en steeds weer heeft hij spijt, ja, dan moet je op een gegeven moment natuurlijk wel degelijk zeggen: je gedrag rijmt niet erg met je woorden.

Maar of er dan bij dat alles een ware ik is aan te wijzen? We gedragen ons nogal eens verschillend onder invloed van de omstandigheden, of de aanwezige personen. De vrouw die als ze met haar man is, altijd angstig is en niets durft en steeds door hem geholpen en gered moet worden, kan in een vakantie met vriendinnen ineens zonder gezeur het avontuur tegemoet gaan – haar rol is dan een andere en haar gedrag is dus ook anders. Liegt ze in een van beide situaties? Welnee. Er zijn gewoonweg geen neutrale omstandigheden waarin een ‘ware ik’ kan worden aangewezen. Het kan best zijn dat als je haar, met zo’n hersenlezer erbij, het plan ‘voettocht in de bergen’ voorhoudt, haar ‘brein’ weinig enthousiast reageert (wat is het toch gek om iemand zo in een bewust en een onbewust deel op te splitsen). Maar als ze is overgehaald het te doen kan ze het toch leuk blijken te vinden. Het is zinloos om daar het begrip ‘waarheid’ of ‘ware ik’ bij te halen.

Het is onmogelijk om op grond van interesses en voorkeuren nú te voorspellen wat ik over twee jaar ga doen, ja zelfs over een week kan alles al anders zijn omdat ik tot andere gedachten ben gekomen dankzij een film die veel indruk maakte of een gesprek met iemand wiens mening ik vertrouw.

Als André Rouvoet een andere baan krijgt, blijkt hij misschien ineens wel heel veel tijd aan zijn gezin te besteden en, zichtbaar op zijn breinscan, daar véél genoegen aan te beleven.

De bevindingen van de neurowetenschappers zijn heel interessant. Maar ze reiken toch misschien iets minder ver dan wordt gesuggereerd.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/vos