Booker Prize-kandidaat spannend én nuchter

Helen Dunmore: The Betrayal. Penguin Books, 336 blz., € 26,-****

Als Helen Dunmore’s roman The Betrayal begint, is het 1952. In een ziekenhuis in Leningrad krijgt de jonge arts Andrei Michailovitsj te horen dat er een nieuwe patiënt is opgenomen: het zoontje van Volkov, het hoofd van de geheime dienst. De arts die het jongetje moet behandelen durft dat niet aan, en dus neemt Andrei het over – ook al is hij zich bewust van de risico’s die hij loopt. Als Volkovs zoon het niet haalt, zal iemand daar voor moeten boeten, en de behandelend arts is dan uiteraard de eerste kandidaat. En als Andrei in ongenade valt, zal dat ook gevolgen hebben voor zijn vrouw Anna en voor haar broertje Kolya, dat bij hen in woont.

Andrei, Anna en Kolya kwamen we al tegen in een eerder boek van Dunmore, De belegering (2001). Die roman speelde in 1941, tijdens de Duitse blokkade van Leningrad. Maar The Betrayal is een op zichzelf staand werk. In deze roman, die op de Booker-longlist 2010 prijkt, staat het huishouden van Andrei, Anna en Kolya centraal – en de manieren waarop in de totalitaire en paranoïde atmosfeer van de Sovjet-Unie het voortbestaan van dat huishouden wordt bedreigd.

Op zichzelf is het verhaal niet verrassend. Het zoontje van de partijfunctionaris is inderdaad ten dode opgeschreven en Andrei is de gebeten hond. Toch is The Betrayal een ontzettend spannend boek en dat komt vooral omdat je vanaf de eerste pagina’s begaan bent met de hoofdpersonen. Dat bereikt Dunmore door van Andrei en Anna uiterst sympathieke personages te maken. Riskant, omdat al te aardige personages meestal niet zo interessant zijn.

Maar Dunmore is een ervaren auteur (dit is haar elfde roman), die heel goed weet wat ze doet. De sympathie die de lezer voor de personages voelt, blust ze af met de ingehouden, bijna afstandelijke toon waarop ze het verhaal vertelt. Daardoor wordt de roman nergens sentimenteel of larmoyant. Ook in scènes waarin mindere schrijvers flink zouden uitpakken om het gemoed van de lezer te bespelen (een doodziek kind, nachtelijke arrestaties, gruwelijke ondervragingen), weet Dunmore haar nuchtere toon te behouden – wat het verhaal er alleen maar indrukwekkender (en ijzingwekkender) op maakt.

The Betrayal is een psychologische roman, geen thriller. Toch zou het zonde zijn om veel weg te geven van de plot, omdat elke lezer de kans moet hebben tegen beter weten in te hopen. Bovendien zie je niet alle wendingen in het verhaal aankomen. Zo blijkt de positie van partijbons Volkov net zo onzeker als die van de behandelend arts. Niemand is zijn leven zeker in een totalitair systeem waar de angst regeert. Dat is geen opzienbarende conclusie, maar juist omdat Dunmore zich concentreert op het huishouden van Andrei en Anna wordt het verhaal nooit clichématig. De verschrikkingen van het systeem mogen bekend zijn, ze maken toch indruk omdat we ons kunnen identificeren met de individuen die ermee worden geconfronteerd

Hier en daar doet The Betrayal denken aan romans als Darkness at Noon van Arthur Koestler en 1984 van George Orwell. Uiteraard mist Dunmore’s roman de urgentie van die boeken, die verschenen toen de Sovjet-Unie nog bestond. Maar toch is The Betrayal meer dan een historische roman over een verdwenen maatschappij. Tenslotte hebben ook na 1952 mensen ’s nachts in bed liggen hopen dat de voetstappen in het trappenhuis niet voor hun deur zouden stilhouden.

Rob van Essen