Top 5

Op mijn basisschool werd er vaak een spel gespeeld dat ‘Top 5’ heette. Zo af en toe gonsde het zonder duidelijke aanleiding door de klas: „Top 5, Top 5! ” Het spel hield in dat iedereen twee lijstjes maakte: één met zijn of haar vijf favoriete meisjes uit de klas (in onwillekeurige volgorde), en een

Op mijn basisschool werd er vaak een spel gespeeld dat ‘Top 5’ heette. Zo af en toe gonsde het zonder duidelijke aanleiding door de klas: „Top 5, Top 5! ” Het spel hield in dat iedereen twee lijstjes maakte: één met zijn of haar vijf favoriete meisjes uit de klas (in onwillekeurige volgorde), en een met de vijf populairste jongens. Die lijstjes circuleerden vervolgens door het klaslokaal, zodat er nauwkeurig en wetenschappelijk bepaald kon worden wie er het meest geliefd was. De term ‘spel’ is misschien wat misleidend. De beschrijving ‘intense levensverwoestende therapie-opwekkende groepsvernedering door nietsontziende peers’ past namelijk veel beter. Het bekt alleen iets minder lekker.

De Top 5: een bikkelhard, gruwelijk systeem dat telkens weer zwart op wit bewijs leverde van de bestaande sociale pikorde. Ik was vrij verlegen als kind en had niet veel vrienden. Ik haalde nooit iemands Top 5. Zelfs áls iemand mij een kek vierde plekje waard had gevonden, had diegene zijn eigen positie weer in gevaar gebracht door openlijk voor mij te kiezen. De nummers >5 van de klas vormden nooit een blok, niemand van ons dacht: muiterij! Ik kies voor die stille jongen die zo goed tekent, of dat rare meisje dat altijd fantasieleggings draagt, of ik schrijf alleen een reeks partiële differentiaalvergelijkingen op het papier. Nee, ook wij vulden braaf en vol bewondering de klassekoningen en -koninginnen in, zodat uiteindelijk altijd dezelfde Oililymeisjes en brutale jongens bovenaan stonden.

Ergens hoop je dat het daarbij blijft. Dat je later kan zeggen: ‘O, wat kunnen kinderen toch wreed zijn, dat er niet vaker kleuters levend worden begraven in een ballenbak is eigenlijk een raadsel.’ Helaas: zo onverbloemd als in een lijstje wordt het niet meer, maar de populariteitsstrijd blijft immer woeden. Zaterdag las ik dat schrikbarend veel ouderen in verzorgingshuizen worden gepest.

Dat idee vind ik zo ongelofelijk treurig. Dan heb je een heel leven achter de rug, je hebt familieleden begraven, geboortes meegemaakt en vrienden getroost, je haar is inmiddels grijs, je gehoor gaat achteruit en lopen doet zeer, en dan kom je in een verzorgingshuis waar je opeens expres wordt overgeslagen als men taart uitdeelt. Het getreiter schijnt soms zo erg te zijn dat ouderen hun kamer niet meer af durven. Het verzorgingshuis wordt een schoolplein, vol sociale wetten en een ijzeren hiërarchie. Nog moeilijker zelfs, want je kan nergens heen. En ouderen hebben vele jaren gehad om de nuances van kleinering te leren.

Het zou toch fijn zijn als je weet dat aan het eind van je leven zoiets niet meer bestaat. Dat mildheid overheerst. Of tenminste beleefdheid. Dat er later in mijn verzorgingshuis tafels zijn waaraan men gezamenlijk Trivial Pursuit The Nineties speelt, en iedereen vrij is om aan te schuiven. Als ik voor het eerst aan zo’n tafel ga zitten en merk dat iedereen net klaar is met Top 5, trek ik bij mijn kinderen in.