Weduwe Khyal rekent niet op regering

Overlevenden van de zware overstromingen in Pakistan wonen nu in tenten die zijn neergezet door lokale hulpverleners. „Ik ben niet terug bij af. Ik sta nu flink in de min.”

Khyal Mar Jan (39) en haar twee kinderen wonen sinds bijna twee weken in een grote witte tent aan een modderig weggetje. Die is daar neergezet door een lokale hulporganisatie. Van de regering heeft Khyal nog geen hulp gezien, zegt ze.

Khyal is weduwe. Zij en haar kinderen delen de ruimte met nog zes vrouwen, ook allemaal zonder man. Als ze de tent uitlopen, zien ze hun huizen in de buurtschap Zarinabad, even buiten de stad Nowshera in het noordwesten van Pakistan. De hele wijk staat nog onder water, alleen de daken zijn zichtbaar. Veel muren zijn ingestort. Een vrouw kijkt stilletjes toe: haar verdronken zwager ligt daar nog ergens onder de modder.

Khyal weet niet hoe het nu verder moet. Als hulp in de huishouding verdiende ze nog geen 14 euro in de maand. Dat was al geen vetpot. Weduwen behoren nu eenmaal tot de armsten van de armsten in Pakistan. Maar ook het huis van haar werkgeefster is onbewoonbaar geworden. Hoe moet ze nu de eindjes aan elkaar knopen? „Nee, op de overheid hoef ik niet te rekenen”, zegt ze. „Misschien dat anderen mij straks helpen mijn huis weer op te bouwen.”

Het gevoel op zichzelf te zijn aangewezen, en in ieder geval niet al te veel te hoeven verwachten van de autoriteiten, wordt breed gedragen in Nowshera. De stad, met ongeveer 200.000 inwoners, ligt aan de Kabul Rivier. Twee weken geleden kon die stroom zijn watermassa niet snel genoeg kwijt in de Indus, enkele tientallen kilometers verderop. In korte tijd steeg het peil twee tot drie meter. Bijna 400 mensen verdronken hier, naar schatting 54.000 huizen in de omgeving werden overspoeld. De meeste bewoners moesten al hun bezittingen achterlaten.

Langs de Grand Trunk Road, de historische handelsroute van Rawalpindi naar Peshawar, is de ravage groot. Bomen zijn ontworteld, elektriciteitsmasten geknapt. Stukken plastic in de struiken en een grijs leemspoor langs gebroken gevels markeren tot hoe hoog het water stond.

Dawood Shah schrobt de stoep voor zijn winkeltje schoon. Een deel van zijn voorraad is nat geworden. Maar misschien blijft de schade beperkt als hij zijn lappen stof te drogen hangt en ze zonodig schoon borstelt, zegt hij. „Wat kan de regering doen? Er zijn zo veel mensen op zo veel plekken getroffen, daar kan de overheid niet tegenop”, zegt hij berustend.

Nee, dan staat zijn buurman Mewa Gul (45) er veel slechter voor. Zijn winkel, waar je ook stoffen en sari’s kon kopen, en van hele beste kwaliteit, is in een souterrain gevestigd. Dat is helemaal ondergelopen. Er is geen stroom meer. In de donkere hal is alleen maar een vieze modderstroom te ontwaren.

Gul, die ook voorzitter is van de plaatselijke Kamer van Koophandel, legt uit dat hij zijn hele voorraad kwijt is. En al zijn spaarcenten die hij de afgelopen jaren heeft gestoken in de bouw van zijn huis dat er nu niet meer staat. Er is geen verzekering die de schade dekt. Dus heeft hij geld geleend om zijn zaak weer op poten te zetten. „Ik ben niet terug bij af. Ik sta nu flink in de min”, stelt hij vast.

Maar daarover maakt hij zich nog niet de meeste zorgen. Er is iets anders wat hem vrees inboezemt. Gul legt trots uit dat Nowshera met zijn bijna drieduizend winkeliers een van de belangrijkste knooppunten is in de handel van stoffen en sari’s. Die komen uit heel Azië. Via Karachi gaan ze naar Afghanistan en vandaar uit worden ze de tribale gebieden oostelijk van Nowshera binnengesmokkeld.

De handelaars uit het grensgebied leveren goede kwaliteit tegen een fatsoenlijke prijs, zegt Gul. Maar het zijn ook harde jongens. „Straks komen ze hun geld opeisen. Wat zullen ze ons aandoen als wij dat niet hebben?”, vraagt Gul zich af.

Najeeb Ullah (28) studeert politicologie aan de universiteit van Peshawar. Hij is ook vrijwilliger van IDEA, de lokale hulporganisatie die heeft gezorgd voor het tijdelijke onderkomen van Khyal Mar Jan en nog eens 370 gezinnen uit de buurtschap Zarinabad. In totaal 3.500 ontheemden. Maar nog niet heeft iedereen onderdak, zegt hij. De officiële hulpverlening is veel te omslachtig, zegt Najeeb.

„De hulp is gepolitiseerd, dat is het grote probleem! Mijn kritiek op de regering is dat ze de hulp niet direct aan de getroffen mensen geeft, maar alles laat lopen via de politieke partijen die hier de dienst uitmaken. Zo komt de hulp bij de rijken terecht, bij de vriendjes van de politici.”

De weduwen in de tent luisteren zwijgend toe. De ramp was de straf van God, zegt iemand. Straf voor wat dan? „Dat weet alleen Hij”, antwoordt ze. „Hij heeft ons gestraft. Hij zal er ook voor zorgen dat we het weer beter krijgen.” De vrouwen knikken instemmend.