Vrouw valt op op Fringe Festival

Roisin Conaty draagt het gedicht ‘Haal die rotzooi van je uit mijn huis’ voor, met regels als ‘Ook die lamp ja/ Wat zou mijn moeder moeten met die verdomde lamp van jou?’

De blondine draagt een bruine pruik en een soepjurk, slist en heeft een cassetterecorder om haar nek hangen. Zo vermomd speelt Conaty haar eigen voorprogramma, als wanhopige bijna-artiest (‘Bel me, en ik kom meteen bij je optreden’)

Vrouwelijke stand-uppers vormen een zeer kleine minderheid in het leger van grappenmakers dat het Edingburgh Fringe Festival overspoeld, maar jonge vrouwen dienen zich steeds meer aan, vooralsnog in piepkleine zaaltjes in de middagprogrammering.

Conaty is één hen en zij is klaar voor de competitie. Haar openingssketch is het meest geslaagd, vanwege de absurditeit die ze toelaat. Als ze terugkomt als zichzelf volgt ze de conventies van het genre: kletspraatjes met het publiek en persoonlijke verhalen over de worsteling met het leven.

Holly Burn (30) daarentegen breekt met haar malle typetjes en vervreemdende sketches uit de dwangbuis van de stand-uproutine. Ze laat zich doodschieten door een bezoeker en speelt haar geboorte na door zich uit een roze tas te laten duwen. Burn toont zich prettig gestoord, maar te vaak ontbreekt het haar nog aan puntigheid en richting.

Heel zelfverzekerd en charmant is de al wat oudere Brits-Nigeriaanse Andi Oshi (1973), die vertelt over haar ontdekking dat racisme bestond. Iemand gooide een kokosnoot tegen de deur. Waar koop je die, vroeg ze zich af. En wat als kokosnoten in de aanbieding zijn? Van kind zijn, via zwart zijn, komt ze uit op zichzelf zijn, met een vurig beatgedicht wat het inhoudt om Brits te zijn als afsluiter.

Deze vrouwelijke stand-uppers tonen hun talent zonder geforceerd te zoeken naar een feminiene versie van comedy. Alleen Tiffany Stevenson (29) brengt een grap die een man moeilijk kan maken. Als ze op een dag ‘hangend vlees’ bij haar oksels ontdekt en haar moeder om raad vraagt, antwoordt deze : „Dat is tiet, liefje.”