Verloren tijd

Op de mooie ochtend van maandag 2 augustus om een uur of half elf zat ik op het terras van mijn cafeetje aan het Spui naar mijn verleden te kijken. Daar bij Het Lieverdje had Robert Jasper Grootveld zijn happenings gehouden. Daar op de hoek hadden Joop van Tijn en ik gezien hoe de rector magnificus Belinfante met een megafoon de bezetters van het Maagdenhuis vergeefs tot overgave sommeerde. Daar, een eindje verderop, had Herman Krikhaar zijn galerie gehad. En terwijl zo het filmjournaal van mijn geheugen afdraaide, naderde uit de Spuistraat een donkerblauw gevaarte. Een waterwerper! Jongere generaties weten niet wat een waterwerper is. Een grote vrachtauto van de politie, met een rechthoekige opbouw, bekroond door een koepeltje waaruit een paar spuiten steken. Het wapen werd door de politie ingezet ter bestrijding van rellen en onlusten.

Tussen ongeveer 1960 en 1980 was Amsterdam rijk aan omvangrijke ongeregeldheden. Provo’s en krakers kwamen in verzet tegen de bestaande orde. Geen woning, geen kroning. Uw rechtsorde is de onze niet. Dergelijke formules. Ze voegden de daad bij het woord, kalkten hun leuzen op de muren, hielden optochten, braken straten open, kraakten leegstaande panden. Dan kwam de politie op de motor met zijspan en de lange lat. ‘Al een klap met een lat van een smeris gehad?’ dichtte Nico Scheepmaker. Dat was een variant op de slagzin van vatenfabriek De Phoenix, aan de spoorlijn bij Halfweg. ‘Al een krat, kist of vat van de Phoenix gehad?’ In die tijd werd de motorpolitie gesteund door de waterwerper, die de vijandige massa met krachtige waterstralen besproeide. Het hielp niet veel, je kon gemakkelijk achter een geparkeerde auto of een elektriciteitszuiltje schuilen. Maar zo’n waterwerper was wel indrukwekkend.

Niet opzettelijk was ik op dit terrasje à la recherche du temps perdu gegaan. Het was vanzelf gekomen. En die waterwerper bracht een zekere vervulling, dacht ik. Maar ik had me vergist. Het werd, hoe zal ik het zeggen, klemmender. Plotseling begonnen de sirenes van het luchtalarm te loeien. Dat gebeurt iedere eerste maandag van de maand. Je moet er zeker van zijn dat die dingen werken, want stel je voor dat er opeens een luchtaanval komt en die dingen doen het niet. Die maandelijkse proef is zeer aan mij besteed. Dat nasale, aanzwellende en weer afnemende geluid brengt me onmiddellijk terug tot de oorlog toen ik een lastig jongetje in zijn puberteit was. Mijn jeugd in Rotterdam.

Een nachtelijk luchtalarm werd dan meestal gevolgd door het naderend geronk van honderden vliegtuigen, het metalen koor. Zoeklichten flitsten aan, de bleke, melkblauwe vingers tastten de duisternis af, soms werd er een vliegtuig in de stralen gevangen en het afweergeschut begon vuur te braken. Achter het huis waar ik toen woonde stond op het voetbalveld van Excelsior een batterij van drie stukken, kaliber punt 88. Dat moest je als jongen weten. Werd er een schot gelost dan verscheen er een oranje kring van vuur om de monding van de loop. Het gevangen vliegtuig maakte scherpe bochten om aan de lichtbundels te ontkomen. Het lukte. Het vervolgde zijn weg naar het Ruhrgebied. En intussen gingen de jongens de straat op om granaatscherven te zoeken. Die waren soms nog heet van de ontploffing. Het mooist waren de scherven met een gele streep, een stukje van de tempeerring waarmee het moment van de explosie wordt afgesteld. Soms ging in zo’n bommenwerper een verslaggever van de BBC mee. Ik herinner me Richard Dimbleby. Hij vertelde wat er in dat vliegtuig gebeurde terwijl jij er op de grond naar stond te kijken.

Nu zat ik op dat terrasje. De waterwerper was uit het zicht verdwenen en daar begon het luchtalarm. Een paar toeristen keken verschrikt om zich heen. Ik maakte kalmerende gebaren, ze waren gerustgesteld en ik bleef verder van de sirenes genieten. Maar ze zijn vernieuwd, de toon is hoger geworden, het is niet meer die nasale dreiging van zeventig jaar geleden. Weer een stukje tijd dat voorgoed verloren is.