Suriname is nu pas echt onafhankelijk

Dat Suriname Bouterse als president kiest, moet het land zelf weten. Ons als Nederlanders past bescheidenheid, vindt John Jansen van Galen.

Het succes van Desi Bouterse in Suriname doet denken aan dat van Geert Wilders in Nederland: een man die eindelijk eens zegt wat het volk denkt, in de taal van het volk, en zich niks aantrekt van ‘de elite’. Met een program dat zich richt tegen de ‘oude politiek’, met dat pappen en nathouden en eindeloos voor zich uitschuiven van problemen, dat ‘poldermodel’, waarin Venetiaan zelfs Lubbers en Balkenende de baas was. En dat zich in de tweede plaats richt tegen vreemdelingen die bezig zouden zijn het land over te nemen: hier moslims, daar Nederlanders. Hoe slecht wij het ons ook kunnen voorstellen, Bouterse raakt met zijn anti-Nederlandse campagne bij Surinamers een gevoelige snaar.

Suriname is een door Nederlanders gemaakt land. Het overgrote deel van de inwoners heeft voorouders die er door ons gebracht zijn. Bij een van mijn eerste bezoeken aan het land smeekte bij het fort Nieuw Amsterdam een stoere zwarte mij: „Suriname is nog niet, mijnheer, Suriname moet nog worden. U moet ons helpen te worden.” Dat hebben Nederlanders zich in de oren geknoopt. Enige jaren later besloten ze dat het land het beste af was als het onafhankelijk werd. Wel moest het ook daarna door Nederland, dat daarvoor veel geld over had, bij de hand genomen worden – om te ‘worden’.

Toen Bouterse met zijn maten het land overnam en vervolgens vijftien van zijn tegenstanders liet doodschieten, staakte Den Haag die hulp en maakte hervatting ervan tot een instrument om er weer een puike democratie naar westerse snit van te maken. Lees M. Schalkwijk: Suriname, het steentje in de schoen van Nederland. Het is gelukt. Drie regeringen-Venetiaan waren het resultaat.

Maar 35 jaar na de onafhankelijkheid is in Paramaribo de Nederlandse aanwezigheid zichtbaarder dan in 1975. Het gebouw van onze ambassade in Paramaribo, als een enorme vliegende schotel neergedaald in het hart van de oude stad, is een van onze grootste ter wereld. De pot met staatsgeld is eindelijk nagenoeg op, maar gemeenten, vakbonden, ziektekostenverzekeraars en particulieren, onder wie veel Nederlandse Surinamers, sprongen met de beste bedoelingen in het gat en helpen er op los. Ondertussen drijven ziekenhuizen, onderwijsinstellingen, architectenbureaus op een constante stroom van stagiairs uit Nederland die buiten werktijd erg zicht- en hoorbaar zijn in het straatbeeld.

Kan het zijn dat Bouterse de wind in de zeilen kreeg van een breed gevoelde frustratie dat het land het na 35 jaar blijkbaar nog niet stellen kan zonder die vervloekte Hollanders, met hun weldoenerij, maar ook hun paternalisme, hun betweterij, hun (zoals het voor Nederlands-Indië betiteld werd) baboeïsme? Dat Suriname de 200 miljoen euro die landgenoten jaarlijks uit Nederland sturen niet kan missen, evenmin als de 140 miljoen die toeristen uit Nederland spenderen (vooral Surinamers op familiebezoek, maar ook veel ouders van stagiairs), zal wel beseft worden, maar juist daardoor ook ergernis en wrevel opwekken.

In Nederland woonachtige Surinamers krijgen in hun geboorteland te horen dat ze de weg van de minste weerstand naar Schiphol hebben gekozen en dat ze de achterblijvers nu niet de les moeten komen lezen. Nederlandse journalisten zoals ik, die over de straffeloosheid van Bouterse beginnen, krijgen te verstaan dat Suriname het zich niet kan veroorloven in het verleden te wroeten en, by the way: waar we ons eigenlijk mee bemoeien. Naarmate Nederland meer op Bouterse hamert, groeit daar de stemming: als hij een boef is, is hij onze boef.

Toen Bouterse na zijn staatsgreep in 1980 betoogde dat Suriname zich minder op Nederland en meer op het Amerikaanse continent moest richten, waren veel Nederlanders – onder wie ik – het daarmee eens. Per slot van rekening hadden onze twee landen, for better or worse, besloten dat Suriname onafhankelijk zou worden, nou, dan moest het ook maar op eigen benen staan. Het bleek for worse te zijn, maar daarom was het nog niet onwaar.

Suriname wordt nu geleid door een driemanschap van veroordeelden. Een volk geeft zichzelf in onze ogen een brevet van moreel onvermogen als het zulke mensen tot zijn leiders kiest, maar men moet dat per slot van rekening zelf weten. Bouterse begon ermee Nederlandse stagiairs de wacht aan te zeggen (gekoppeld, als om de schizofrenie van Suriname te onderstrepen, aan de eis van ruimere toelating van Surinamers tot Nederland) en liet vervolgens de Nederlandse ambassadeur schofferen. Ik denk dat hij er stil applaus mee oogstte.

Het is allemaal symboliek. Nederland heeft weinig belangen meer in het land en onze onderlinge handel is verwaarloosbaar. Suriname is feitelijk al goeddeels op zijn Amerikaanse omgeving georiënteerd. Maar de psychologische dekolonisatie moest kennelijk nog plaatsvinden. In Indonesië bleef Nederland na de soevereiniteitsoverdracht nog zeven jaar prominent aanwezig tot het er door Soekarno uitgeschopt werd. In Suriname, veel afhankelijker van ons, moest dat blijkbaar 35 jaar duren. Bouterse voltooit de onafhankelijkheid van het land. Wat rest aan emotionele banden met het vroegere moederland zal met het verstrijken van de generaties slijten.

De Surinaamse filmer Pim de la Parra vergeleek Bouterse voor de radio met Simon Bolivar, de bevrijder van Zuid-Amerika. Er zijn andere vergelijkingen met Latijns-Amerikaanse rolmodellen mogelijk: Pablo Escobar, de drugstycoon, Jorge Videla, de moorddadige dictator. Maar ze moeten er zelf uit kiezen. Ons, om het met Maxime Verhagen te zeggen, past bescheidenheid.

John Jansen van Galen is auteur van onder meer Kapotte plantage, een Hollander in Suriname en Hetenachtsdroom (over het Surinaams nationalisme) en werkt aan een dissertatie over het Nederlandse dekolonisatiebeleid.