Pronken met andermans vacht

Waarin zijn mensen uniek? Deze week: de mens is het enige dier dat zich bedekt met lichaamsvreemde materialen.

Kleren maken de mens, maar dragen alleen mensen kleren? Veel slakken hullen zich in een spiraalvormig harnas, maar dat is een uitwendig skelet. Dat soorten die dit niet hebben ‘naaktslakken’ heten, maakt dat kalken huisje van de andere nog niet tot kleding. Kokerjuffers maken een behuizing van zandkorrels en plantenmateriaal voor hun larven, maar volwassen juffers maken daar geen gebruik van.

Alleen de heremietkreeft komt in de buurt. Die hult zijn weke achterlijf in het verlaten slakkenhuis van een alikruik en, als hij groter wordt, in de schelp van een wulk. Daar komt hij alleen uit als hij moet verhuizen naar iets groters, en om fluks te copuleren. Maar is dit nu een broek van kalk? Dat alleen een kwetsbaar lichaamsdeel is ingepakt doet aan kleding denken; toch vergelijken biologen de gekraakte schelp met de behuizing van een kluizenaar. Vandaar de naam.

Het lijkt erop dat Homo sapiens de enige soort is die zijn lijf bedekt of versiert met lichaamsvreemde materialen.

Het meest voor de hand liggende motief is bescherming tegen de elementen, want de mens is een naakte aap die zijn haarvacht al lang geleden kwijtraakte. In sommige gevallen compenseerde hij dat verlies door zich te bedekken met het vel van gedode dieren dat hij om zijn schouders sloeg of met bladeren, grassen of de bast van een boom die hij om zijn middel knoopte. Wanneer en hoe precies is giswerk, want de gebruikte materialen vergaan snel, vergeleken met werktuigen van steen, been of metaal. De oudste bekende naainaalden van been en ivoor zijn gevonden in Rusland en zijn zo’n 30.000 jaar oud.

Kleding is waarschijnlijk veel ouder dan archeologische vondsten laten zien. Genetici van het Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie in Leipzig gingen na wanneer de kleerluis zich afsplitste van de hoofdluis, twee parasieten die de mens vanouds hebben geplaagd. De hoofdluis nestelt op en voedt zich met het bloed van de hoofdhuid, terwijl de kleerluis zich voedt op de huid, maar nestelt aan de binnenkant van kleding. De onderzoekers lazen van deze moleculaire klok af dat de kleerluis rond 72.000 jaar geleden een eigen leven ging leiden. Toen, concluderen zij, moet kleding zijn ontstaan. Dit tijdstip valt ruwweg samen met de trek van H. sapiens vanuit Afrika naar het noorden, dus naar kouder streken.

Anno 2010 vertonen de kleedgewoonten in de wereld nog wel culturele verschillen, maar die zijn veel minder groot dan een eeuw geleden. Toen varieerde het beeld van helemaal geen bedekking bij bewoners van de bovenloop van de Nijl en van de Amazone tot een bijna volledige en gelaagde bedekking in het keizerlijke China en het Europa van de Belle Époque. Die varianten waren vaak zo ongeschikt voor het klimaat dat je ze moeilijk kunt zien als aanpassing. Zo droegen bewoners van het Centrale Bergland van Nieuw Guinea, waar het heel koud kan zijn, en de nu verdwenen inheemsen van het gure Vuurland geen kleding.

Een ander veel genoemd motief voor kleding is zedigheid. De Amerikaanse antropoloog Robert H. Lowie (1883-1957) relativeerde dit. Volgens hem is schaamte niet het motief, maar een gevolg van het dragen van kleren: „Veel volken”, schreef hij in 1940, „van de Australische Aborigines tot de Vuurlanders, liepen ongekleed en hun opvattingen over zedigheid uitten zich op andere manieren.”

Collega Leslie Spier (1893-1961) was het met hem eens: „Het verlangen om te verbergen heeft geen rol gespeeld bij het ontstaan van kleding, maar kwam eruit voort. Het verbergen van geslachtsdelen vestigt er juist de aandacht op en dit wordt nog benadrukt door de verlegenheid en schaamte die naaktheid teweegbrengt bij hen die doorgaans gekleed zijn. Waar geen of heel weinig kleding wordt gedragen, zoals in de tropen, of waar men die geheel aflegt, zoals binnen in de iglo van de Eskimo, wekt ontbloting geen bijzondere emoties. Merkwaardigerwijs verschillen de lichaamsdelen die men in elk geval bedekt moet houden bij verschillende volkeren.”

In een dorp aan de Wisselmeren, in het bergland van Nieuw Guinea, keek ik eens naar een voetbalwedstrijd van mannelijke Ekagi (Bergpapoea’s). Zoals gewoonlijk droegen zij alleen een peniskoker, die de balzak vrij laat en aan het middel is vastgeknoopt met een koordje. Toen een van de spelers zijn koker verloor, rende hij gillend van schaamte van het veld.

De meest universele functie van kleding en lichaamsversiering – de grens is niet zo makkelijk te trekken – is aanduiding van een status: leeftijd, sekse, klasse, beroep of lidmaatschap van een groep. Kijk maar: heren-, dames- en kinderkleding, uniformen van militairen met uiteenlopende rang, het oude klassenonderscheid tussen hoeden- en pettendragers en het statusverschil tussen confectie en maatkleding. Symbolisering van de menselijke pikorde begon al vroeg. Hoe meer luipaardtanden aan de halsketting, hoe groter de moed van de jager. En op den duur wilde niemand achterblijven. De afgelopen eeuw zijn mensen overal ter wereld gevoelig gebleken voor het statusverhogende effect van kleding.