Kinderen met gaatjes groeien minder goed

Kleine kinderen met grote gaatjes in hun kiezen en open, ontstoken, liggende zenuwen groeien minder goed. Bovendien hebben zij een achterstand in lengte en gewicht en een mindere cognitieve ontwikkeling (W.H. van Palenstein Helderman, Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde, augustus). De auteur geeft drie verklaringen voor deze relaties. Dergelijke mondinfecties veroorzaken pijn en ongemak bij het eten waardoor deze kinderen minder voedsel binnen krijgen. Daarnaast veroorzaken deze factoren door ontstane hormoonreacties een gebrek aan slaap. Ten derde is duidelijk geworden dat zulke infecties, door het ontstaan van schadelijke cytokines – eiwitten die een rol spelen bij de functie van het immuunsysteem – de groei negatief beïnvloeden. Voorts blijkt dat, wanneer deze groep kinderen, tandheelkundig bezien adequaat wordt behandeld, zij na de behandeling een groeispurt doormaken. Onderzoek wijst verder uit dat deze kinderen na zulke behandelingen op school beter presteren. Hoewel de gegevens niet nieuw zijn, uit de auteur zorgen. Hij wijst er op dat het College voor Zorgverzekeringen in een rapport signaleert dat 61 procent van de vijfjarige Nederlandse kinderen met tandbederf nooit een restauratieve behandeling heeft ondergaan. Zelfs heeft een toenemend aantal van hen fistels in de mond: kleine buisjes in de kaak, gevormd door een ontsteking van aangetaste melkkiezen en tanden, waardoor pus vrij in de mond terecht komt. Ook geven ouders aan dat 20 procent van de kinderen wel eens kiespijn heeft gehad zonder dat daar iets aan wordt gedaan. Deze onderzoeksgegevens kunnen ook in verband worden gebracht met de opvattingen van sommige tandartsen. Dat bleek uit een vorig jaar gepubliceerd onderzoek waarin verslag wordt gedaan van een enquête onder een representatieve groep Nederlandse tandartsen. Hun werd gevraagd wat hun opvattingen waren over de behandeling van het melkgebit van kinderen tot zes jaar. Ruim 40 procent van deze tandartsen was het eens met de uitspraak dat de behandeling van het tijdelijk gebit zich primair diende te richten op het pijn- en ontstekingvrij houden daarvan – en dat het er dus op lijkt dat ze beginnend tandbederf niet behandelen. De auteur constateert dat het voor de hand ligt dat een deel van deze beroepsgroep zich kennelijk onvoldoende realiseert wat dit uitgangspunt betekent voor het welzijn en de gezondheid van het Nederlandse kind.