Het hart ligt op de lippen

Het lijkt nogal paradoxaal: een dove psychotherapeut met horende cliënten. Maar de Amerikaanse Julie Jampel, doof sinds haar vierde, bewijst dat het toch mogelijk is.

‘Ik ben een blanke, Joodse vrouw met zeer ernstig gehoorverlies. Daarvoor was ik een blank, Joods meisje met zeer ernstig gehoorverlies.” Dat schrijft Julie Jampel droogjes in het juninummer van het wetenschappelijke tijdschrift Psychotherapy: Theory, Research, Practice, Training, een themanummer over ‘diversiteit’ (de huidige politiek correcte term voor ‘minderheden’). Jampel begon doof te worden toen ze vier jaar was.

En ze heeft een bijzonder beroep voor iemand die vrijwel doof is: ze is als psychotherapeut verbonden aan de Amerikaanse Tufts University. Daar behandelt ze voornamelijk horende cliënten, die haar gehoorverlies aanvankelijk vaak niet eens in de gaten hebben. Want Jampels spraak is niet aangetast, licht ze per e-mail toe: „Mensen nemen eerder aan dat ik even niet oplette dan dat ik hen niet verstond omdat ik doof ben.” Dat vertelt ze hen meestal tegen het eind van de eerste sessie; zo baseren nieuwe cliënten hun oordeel over haar op de daadwerkelijke interactie en niet op louter vooroordelen.

Sommige cliënten vragen op dat moment of ze misschien langzamer of luider moeten praten. Jampel legt dan uit dat dat zinloos is. Haar aankijken is genoeg. Zij leest het gesprokene af van het gezicht van de cliënt in combinatie met diens lichaamstaal. Zulk spraakafzien wordt ook wel liplezen genoemd, maar die term is eigenlijk niet correct. Doven die op die manier ‘horen’, kijken niet naar de lippen van de spreker, zegt Jampel, maar naar de ogen. „Dat is holistischer, alleen naar de lippen kijken is te beperkt”, mailt ze. En dan nog is spraakafzien niet exact: „Soms begrijp je alle woorden; andere keren begrijp je de meeste woorden en daarmee de hoofdboodschap.”

Gebarentaal heeft ze nooit geleerd. Toen ze opgroeide (in de jaren zestig in Missouri) werd dat niet aangeraden bij een kind dat al kon praten. Daardoor heeft ze ook nauwelijks ervaring met de speciale, op gebarentaal gebaseerde cultuur van mensen die al doof waren voordat ze gesproken taal leerden – en die vaak zo trots op die cultuur zijn dat zij zich Doof noemen, met een hoofdletter D. Doven met een hoofdletter hebben meestal voornamelijk Dove vrienden en kennissen; mensen die later doof zijn geworden, zoals Jampel, groeien op en leven tussen de horenden. Ze worden wel ‘audiologisch doof’ genoemd.

Jampel noemt een praktijk voor psychotherapie de ideale werkplek voor haar, „omdat het een rustige, intieme ruimte is waar de nadruk ligt op communicatie”. Bij hoorcolleges op de universiteit had ze het met spraakafzien moeilijker. „Dan heb je hulp nodig, bijvoorbeeld iemand die aantekeningen maakt.” Ze haalde haar diploma’s op reguliere scholen en de universiteit en ze promoveerde door altijd „op de eerste rij te zitten, hard te werken en veel te lezen”. Vervolgens kreeg ze op sollicitatiebrieven nauwelijks reacties. De meeste potentiële werkgevers negeerden haar.

Ironisch genoeg helpen zulke ervaringen haar nu wel in haar werk als psychotherapeut. In haar artikel beschrijft Jampel een cliënt, een jonge eenzame vrouw, die haar als een rolmodel begon te zien om tegenslag te leren overwinnen. Het had een groot effect op deze vrouw. En ook op andere manieren kan Jampels doofheid soms de therapie vooruithelpen. Zo beschrijft ze een 42-jarige homoseksuele man met bindingsangst die haar vaak niet aankeek tijdens het praten, een hand voor zijn mond hield of zó snel sprak dat ze het niet kon volgen. Daarop stelde Jampel de afstandelijkheid in zijn manier van communiceren centraal in de therapie – en uiteindelijk committeerde hij zich toch aan zijn partner.

Het is voor sommige mensen heel confronterend om haar voortdurend te moeten aankijken tijdens een intiem gesprek, weet Jampel. De meeste mensen associëren het vasthouden van elkaars blik automatisch met agressie of verleiding. Ook daar praat ze soms met hen over, meestal wat later in de therapie, en dat kan nuttig zijn. „Ik zet mijn doofheid niet met elke cliënt in, tijdens elke sessie”, zegt ze, „maar ik ben me altijd bewust van de noodzaak van effectieve communicatie. Er expliciet over praten is soms heel zinvol.”

Natuurlijk beperkt haar handicap haar werk ook. Groepstherapie kan ze niet doen; relatietherapie doet ze zelden. Enkele cliënten lieten weten dat ze niet met haar wilden werken. Een paar van hen waren zo depressief dat ze zacht spraken, met hun hoofd gebogen, en de energie niet hadden om af en toe te herhalen wat ze hadden gezegd of het op te schrijven. Een andere cliënt, die Engels als tweede taal had, voelde zich te verlegen als hij iets moest herhalen. Zelf verwijst Jampel alleen iemand door als ze diegene echt niet begrijpt. „Bijvoorbeeld als iemand een heel sterk accent heeft of een grote snor, die de bovenlip bedekt.” Maar de overgrote meerderheid van de cliënten doorloopt het volledige therapietraject bij haar.

Sinds twintig jaar geleden, toen Jampel met werken begon, heeft e-mail haar leven een stuk gemakkelijker gemaakt. Destijds was ze altijd de laatste die iets wist; nu worden vergadernotulen en mededelingen gewoon rondgestuurd. Maar nog steeds heeft ze te maken met vooroordelen van mensen die gehandicapt gelijkstellen aan onbekwaam. Met haar artikel hoopt ze in elk geval een deel van die vooroordelen bij haar collega’s weg te nemen. „Als mensen uit verschillende culturen en met verschillende achtergronden de therapieruimte binnengaan en proberen samen te werken, is tolerantie voor verschillen niet genoeg”, schrijft ze. „Worstelen om de relatie te laten werken, oprecht proberen om elkaar te begrijpen, kan de brandstof zijn voor de best mogelijke therapeutische uitkomsten.”