Fictie schrijven over de oorlog? Pas goed op

Morgen is het 65 jaar geleden dat Nederlands-Indië bevrijd werd. Daar mag je over schrijven, ook romans, maar verpak je autobiografische fictie dan niet in een te controleren historische waarheid, vindt Mischa de Vreede. Voor je het weet ga je met andermans verleden op de loop.

Liever maak ik dat ik wegkom, als het jaarlijkse, massale herdenken van de Tweede Wereldoorlog, de bezetting en de bevrijding begint. Het grootste deel van die herdenkingen gaat over de oorlog zoals die in Nederland werd ervaren. Ik hoor die herinneringen alleen maar aan, een beetje wrokkig zelfs omdat ze niet gaan over ‘mijn’ oorlog, die in Noord-Sumatra, in het toenmalig Nederlands-Indië.

Totdat het herinneren niet alleen over de oorlog ging maar ook over mijn beroep: dat van schrijver. Er werd naar aanleiding van recent verschenen jeugdherinneringen – de volwassenen van toen zijn er niet meer – de vraag opgeworpen in hoeverre die ‘verifieerbaar’ moeten zijn. (Volgens mij werd er bedoeld: waarheidsgetrouw.) En daar kon ik over meepraten.

Een unhappy childhood zou een goudmijn voor een schrijver zijn? Een goed geheugen is volgens mij belangrijker. Wie over beide beschikt, heeft geboft. Gevonden voedsel: dit gebeurde toen en daar en ik was erbij, ik kan het navertellen. Ik moet het navertellen, anders zal het verloren gaan. Ik wil het navertellen omdat het heilzaam is. Want door dat grote brok onbehagen van vroeger samen te vatten in een verhaal, krijg je overzicht en je brengt er structuur in aan, structuur die dienst kan doen als pantser. Daarbij mag je het zo mooi – of gruwelijk – maken als je wilt; dat is het recht van iedere verhalenverteller.

Hoewel… in sommige gevallen moet je daarbij heel zorgvuldig te werk gaan. Verzin niets, verifieer zoveel mogelijk. Het excuus ‘Ja, maar als ik het me zo herinner, is het voor mij wel zo gebeurd’, kan volgens mij alleen gelden wanneer het om hoogstpersoonlijke ervaringen gaat: hoe liefdeloos je moeder was, hoe drankzuchtig je vader. En dan nog is het beter te wachten tot ze allebei dood zijn, zodat je niet de kans loopt om met hun eigen waarheid geconfronteerd te worden.

Wie daarentegen over de oorlog schrijft, begeeft zich op publiek domein. En dan is het zaak om je eigen, autobiografische fictie niet in een te controleren historische waarheid te verpakken. Want voor je het weet ga je ook met andermans verleden op de loop. Een heilloze welles-nietesdiscussie is het gevolg en daardoor wordt de aandacht afgeleid van dat waar het werkelijk om gaat. Namelijk dat oorlog het ergste is wat een mens, land of volk kan overkomen.

Wanneer het om de Japanse interneringskampen gaat – ‘mijn’ oorlog dus – wordt er nog steeds verwezen naar de polemiek tussen Rudy Kousbroek en Jeroen Brouwers. Kousbroek herinnerde zich zijn kostschooljaren als ‘erger’ dan het kamp, en zo ontnam hij zijn lotgenoten het recht op mededogen. De gemakkelijk te vermijden fout van Brouwers was dat hij zijn Verzonken Rood (Verzonnen Rood, volgens Leo Vroman ) situeerde in een bestaand hebbende werkelijkheid. Als hij zijn kamp niet ‘Tjideng’ had genoemd maar ‘Pantun’ en zijn kampcommandant had niet ‘Sone’ geheten maar ‘Tozuki’, dan had het weinig uitgemaakt of deze nu wel of niet als martelende beul erbij was, toen eind augustus bekend werd gemaakt dat Japan gecapituleerd had. Niet dus. Sone was in juni 1945 al overgeplaatst. Ik zal niet de enige zijn die, wanneer er één verifieerbaar feit niet klopt, gaat twijfelen aan de waarheid van andere, niet te verifiëren feiten.

En wat mijn eigen jeugdherinneringen betreft: eenmaal gerepatrieerd heb ik van meet af aan het idee gehad dat wij, uit Indië afkomstig, geen recht van spreken hadden wanneer het om doorstane ontberingen ging.

Van meet af aan wist ik dat hier alles veel erger was geweest. „Zij heeft in een kamp gezeten!” werd door klasgenootjes tegen hun moeder gezegd als verklaring voor mijn onaangepast gedrag en mijn uiterlijk – de buitenissige kleren van de Marshallhulp, een gelige huid en groene aanslag op mijn tanden. Ik begreep gauw dat ik er dan meteen aan toe moest voegen dat het maar een Jappenkamp was. Anders schrok zo’n mevrouw zo.

Ik was dan ook zeer verbaasd dat Bert Bakker in 1960 voor het bevrijdingsnummer van zijn literaire tijdschrift Maatstaf mij om een bijdrage vroeg. Ik kon me niet voorstellen dat iemand daar belangstelling voor had. Toen ik acht was gaat over een klein meisje dat zo’n honger heeft dat ze haar enige bezit – een belletje aan een koordje om haar hals – ruilt voor een oranje worteltje dat in drie happen op is.

Klein leed maar ja, het was ook maar een Jappenkamp waar dit gebeurde.

Welk kamp het was, wilde ik niet prijsgeven, beducht als ik was dat mensen het zich anders herinnerden. En ook toen het verhaaltje gebundeld werd met andere kampherinneringen – eerst in Oorlog en liefde, later in Kind in kamp – liet ik opzettelijk steeds in het midden om welke locaties het ging. Deels omdat ik inmiddels besefte dat er overal ter wereld nog steeds kinderen in kampen zaten die waar dan ook dezelfde ervaringen hadden als ik had gehad en die later met gelijksoortige trauma’s zouden zijn opgescheept. Ik vond dat ik voor hen moest opkomen. Bovendien kreeg ik veel reacties als: ‘Ik heb hetzelfde meegemaakt als u, maar u vertelt het zo mooi.’ Of: ‘Bij ons thuis werd er niet over gesproken, dus pas nu weet ik wat ons overkomen is.’ Of: ‘Voor mijn kinderen, dat die ook eens weten wat ik heb meegemaakt…’Het werd een soort engagement: ik schreef ook namens anderen, ik vertelde ook hun verhaal.

Een grote steun daarbij was, inderdaad, mijn geheugen. Mijn herinneringen, meestal ingebed in de emoties van de grote mensen om me heen, dateren vanaf mijn tweede jaar. ‘Dat je dat allemaal nog weet!’ Ik heb van mijn vijfde tot mijn negende geen onderwijs genoten en op die leeftijd ben je een spons. Dus als je geen tafels van vermenigvuldiging en rijtjes aardrijkskunde hoeft te leren, kijk je om je heen en je onthoudt wat je ziet.

Om dat geheugen niet te laten ‘besmetten’ door andermans werkelijkheid, heb ik tot voor kort niet de dagboekenreeks Noord Sumatra in oorlogstijd willen raadplegen. Toen ik dat onlangs wel deed, bleek tot mijn voldoening dat ik weinig vervalsingen openbaar had gemaakt.

Zoals ik het me herinner en heb doorverteld, zo was het ook. Vervelend dat ik het nog steeds niet vergeten kan.

Mischa de Vreede (1936) is dichter, schrijver en vertaler. Binnenkort verschijnt in een Indonesische vertaling haar boek over de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië: Selamat Merdeka (1997).

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

In het artikel Fictie schrijven over de oorlog? Pas goed op (14 augustus, pagina 6) haalt schrijfster Mischa de Vreede het boek Verzonken rood van Jeroen Brouwers aan. Dit boek heet Bezonken rood.