Er werd eerder gedoogd

Een minderheidskabinet met gedoogsteun is niet geheel onbekend. Na het confessionele kabinet-Kuyper (1901-1905), liep bij de verkiezingen van 1905 niet-confessioneel Nederland te hoop tegen het christelijk geweld van de afgelopen vier jaar. Abraham Kuyper, de antirevolutionaire premier, had bewust de verhouding tot de niet-confessionele partijen op scherp gezet met zijn ‘Antithese’, die hij eens als volgt verwoordde: „Daarom geen: Te wapen! tegen de Sociaal Democratie, alsof door haar excessen het deftiger Liberalisme in ere hersteld was.” – „Onze strijd gaat niet tegen personen, maar tegen den God in het staatsrecht verzakenden geest, die in aller Liberalen politiek zich belichaamt.” Opvallend is dat Kuyper hier de liberalen met de socialisten op één hoop veegt. Zijn antithese bracht in onze parlementaire geschiedenis een unieke politieke polarisatie teweeg. De sociaal-democraten hadden hierbij nog een extra appeltje met Kuyper te schillen. Men vergaf hem niet dat hij na de spoorwegstaking van 1903 de ‘worgwetten’ erdoor had gejast, die onder meer ‘spoorwegstakers’ strafbaar maakten. Bij de verkiezingen van 1905 was dan ook hun leus: „Weg met Kuyper!”

Bij de verkiezingen kregen de confessionele partijen 47 van de honderd zetels. Het liberale blok kwam niet verder dan 45. Een meerderheidskabinet was ondenkbaar. De socialisten, die zorgvuldig afstand van de ‘burgerlijke’ partijen hadden bewaard, besloten het vervolgens optredende liberale kabinet-De Meester ‘gedoogsteun’ te geven. Dit gaf het antirevolutionaire blad De Standaard aanleiding te schamperen: „De Liberalen zitten onder de zweep van Troelstra.” Het kabinet-De Meester hield het tot eind 1908 uit en bezorgde, mede dankzij de gedoogsteun, Kuypers ‘antithese’-campagne een gevoelig tempoverlies.

Dr. J.A.O. Eskes

Zeist