Economie in onbalans

De recessie in Europa is definitief achter de rug. Die conclusie mag worden getrokken na de cijfers over de economische groei in het tweede kwartaal, die gisteren werden gepubliceerd. Op Griekenland na lieten alle landen een positieve economische groei zien, hoewel Spanje en Portugal met een groei van 0,2 procent slechts minimaal vooruitgang boekten.

De eurozone liet als geheel een veelbelovende groei zien van 1 procent van kwartaal op kwartaal. Dat is ruim boven wat structureel aan vooruitgang wordt geboekt. Nederland wist een groei te bereiken van 0,9 procent in één kwartaal en dat is zonder meer gunstig. Duitsland spant de kroon met 2,2 procent – de sterkste groei sinds de eenwording van 1989. Ten opzichte van hetzelfde kwartaal vorig jaar komt de Nederlandse groei neer op 2,1 procent, de Duitse zelfs op 3,7.

Tegelijkertijd neemt de vrees toe voor een nieuwe terugval van de wereldeconomie. Dat lijkt tegenstrijdig, maar is het niet. Binnen Europa zijn er grote conjuncturele verschillen. Wie Duitsland en Nederland uit de cijfers haalt, komt voor het euroblok op een economische groei van nog maar een half procent in het afgelopen kwartaal.

Zowel de Duitse als de Nederlandse spurt is vrijwel volledig te danken aan sterke opleving van de export. Dat is ook het recept van China om de vaartvermindering van de eigen economie te lijf te gaan en van Japan om zich aan jarenlange stagnatie te ontworstelen.

Internationale handel is geen spel waarin de winst van de één automatisch het verlies betekent van de ander. Maar binnen het internationale economische overleg is de afgelopen jaren terecht geconstateerd dat de wereldeconomie als geheel gebaat is bij een betere balans dan vóór de kredietcrisis en de daaropvolgende recessie.

Destijds werd afgesproken dat traditionele tekortlanden hun concurrentiekracht zouden verbeteren, terwijl de traditionele overschotlanden hun binnenlandse vraag zouden stimuleren. Zo zou de balans wat meer recht kunnen worden getrokken. De crisis heeft de wereldhandel de afgelopen anderhalf jaar zodanig in haar greep gehad dat dit voornemen leek te lukken. Overschotten en tekorten liepen terug en ondanks de zware conjuncturele tijden leek de wereldeconomie beter in evenwicht.

Nu de conjunctuur weer opveert, is daar steeds minder sprake van. Sterker nog, de traditionele, exportgerichte economieën voeren hun oude strategie weer uit. De Verenigde Staten, van oudsher de grootste netto-importeur, rapporteert een toenemend tekort op de handels- en betalingsbalans. Ook binnen de eurozone wordt het gat tussen de voornamelijk noordelijke netto-exporteurs en de overwegend zuidelijke importeurs weer groter.

De afgelopen jaren hebben getoond dat een te grote mondiale disbalans bijdraagt aan financiële calamiteiten, van de internationale kredietcrisis tot de Europese schuldencrisis. Het kan niet de bedoeling zijn dat de wereld terugkeert naar deze economische verhoudingen. Economisch herstel is kwetsbaar als het alleen gebaseerd is op exportsucces. Investeringen en meer consumptie horen er ook bij. Dat is een kwestie van internationaal én van eigenbelang.