De middenklasse in het gedrang

De aanwezigheid van een zelfbewuste middenklasse van economisch actieve, verdraagzame en politiek betrokken burgers wordt vaak genoemd als wezenlijke voorwaarde voor een bloeiende democratie. Gerechtvaardigde stille trots op de eigen bijdrage aan de nationale welvaart en gepaste tolerantie voor door anderen gehuldigde afwijkende opvattingen leggen een stabiele grondslag voor de staatkundige ordening van een samenleving waarin het voor iedereen goed toeven is. Dit fundament van een levensvatbare democratie wordt momenteel bedreigd door economische onzekerheid, toenemende ongelijkheid en populistische paalrot, zowel in Europa als in de Verenigde Staten.

Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan ligt een grondoorzaak bij de sterk toegenomen ongelijkheid. Sinds het begin van de jaren negentig zijn de vruchten van de economische groei in de VS bijna exclusief geplukt door de toptien procent van de inkomenstrekkers. De onderste negentig procent zag zijn koopkracht gemiddeld genomen amper toenemen. De meest welvarende 1 procent van de gezinnen toucheert, nadat belasting is geheven, inmiddels 17 procent van het nationaal inkomen en beschikt over meer dan een derde van het totale vermogen in particuliere handen.

Over de precieze oorzaken van deze scheefgroei valt te twisten. De veel lagere loonkosten in opkomende industrielanden, zoals India en China, verklaren een deel van het aanzienlijke banenverlies in de vroeger goed betalende Amerikaanse maaksector. Heel wat gemakkelijk te automatiseren banen van half geschoolden gingen verloren door de komst van computers en robots. Zeker is dat de daarginds ooit machtige vakbonden veel invloed hebben verloren en dat vooral de rijken hebben geprofiteerd van belastingverlagingen van de republikeinse presidenten Reagan en Bush.

Het eindresultaat van deze trends is dat veruit de meeste Amerikanen, hoe hard zij ook ploeteren, hun positie al jaren nauwelijks zien verbeteren. In de weekendbijlage van de Financial Times van twee weken geleden schetst Ed Luce, chef van de redactie in Washington DC., een navrant beeld van de teloorgang van de middenklasse. Zijn conclusie luidt dat de Amerikaanse droom is vervlogen. De grote massa van de Amerikanen heeft minder kans om door eigen inspanning hogerop te komen dan zijn pendant in het oude Europa, waar de sociale mobiliteit groter is.

Hun afkeer van belastingen is bijna spreekwoordelijk, maar de tegenhanger is dat Amerikanen veel meer uit eigen zak moeten betalen voor onderwijs en gezondheidszorg dan inwoners van Europese verzorgingsstaten, waar deze voorzieningen hoofdzakelijk collectief worden gefinancierd. Bovendien zijn de inkomensverschillen aan deze kant van de Noordzee een stuk kleiner dan in de VS en het Verenigd Koninkrijk.

Mede om deze redenen staat de maatschappelijke positie van de middengroepen hier vooralsnog minder onder druk. Zij krijgen waarschijnlijk echter meer dan gemiddeld te maken met lastenverzwaringen en bezuinigingsmaatregelen, die onvermijdelijk zijn om de openbare financiën in de lidstaten van de Europese Unie weer op orde te brengen. En dat, terwijl uit recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) blijkt dat de middengroepen in verhouding nu al het minste ‘profijt van de overheid’ trekken. Ik reken hier tot de middengroep de dertig procent van alle Nederlandse huishoudens met een netto maandinkomen tussen pakweg 4.000 en 6.000 euro. Zestig procent van de huishoudens – de ‘karig bedeelden’ – heeft maandelijks minder dan 4.000 euro te besteden. De top tien procent, alias de ‘welvarenden’, kan elke maand over ten minste 6.000 euro beschikken.

Bij zijn onderzoek rangschikte het SCP alle huishoudens naar oplopend inkomen in tien groepen, die elk tien procent van de huishoudens bevatten. De armste tien procent zit in groep 1, de rijkste tien procent in groep 10. Vervolgens ging het SCP na in welke mate huishoudens uit elke 10-procentgroep voordeel hebben van overheidssubsidies voor wonen, onderwijs, kinderopvang, thuiszorg, cultuur, en nog een groot aantal andere voorzieningen.

In totaal is 62 miljard euro aan profijt van gesubsidieerde voorzieningen toegerekend. Bij een gelijke verdeling geniet elke 10-procentgroep tien procent van het totale profijt (de stippellijn in de figuur). Maar als de overheid vooral de karig bedeelden tegemoet wil komen, moeten groepen met een laag rangnummer meer dan tien procent van het totale profijt genieten. Dat blijkt inderdaad het geval te zijn voor huishoudens in groep 2 tot en met 4, waarin weinig bemiddelde ouderen zijn oververtegenwoordigd. Groep 1 wordt hoofdzakelijk bevolkt door studenten, wat het afwijkende beeld verklaart. Juist de middenklasse in groep 7 tot en met 9 ontvangt duidelijk minder dan tien procent van het totale profijt. De welvarendste tien procent wordt daarentegen weer overbedeeld, vooral doordat huishoudens uit groep 10 profiteren van fiscale voordelen voor de eigen woning en toegerekende subsidies voor hun studerende kinderen.

Partijen die bij de lopende kabinetsformatie met elkaar in de slag zijn doen er goed aan om niet uit het oog te verliezen welke groepen straks in het bijzonder worden geraakt door lastenverhogingen en bezuinigingen. Mocht de middengroep als gevolg van saneringsmaatregelen bij de profijtverdeling verder achterop raken, dan is een stapje gezet op weg naar Amerikaanse toestanden.