De aristocratie is dood

De aristocratie is niet stervende maar dood. Met die bewering baarde Peregrine Andrew Mornay Cavendish, de hertog van Devonshire, onlangs opzien. Schaf adellijke titels af, zegt hij. ‘Het zijn heel gewone mensen met heel ongewone namen.’

Ze hebben zich langer weten te handhaven dan veel van hun standgenoten elders in de wereld, maar ook voor de Britse aristocraten dreigt nu onherroepelijk het einde van hun vooraanstaande rol. Niemand beseft dat beter dan Peregrine Andrew Mornay Cavendish (65), hertog van Devonshire en telg van een van de beroemdste adellijke geslachten van het land.

Enkele maanden geleden baarde hij opzien door in een gesprek met een Britse krant te verklaren dat de aristocratie niet slechts stervende is maar dood. „De kist is al dichtgespijkerd en zit in de grond. Ze [de aristocratie, red.] bestaat niet meer, afgezien van het feit dat mensen titels hebben.”

De doodstijding uit de mond van een van haar meest vooraanstaande vertegenwoordigers kwam voor veel Britten, die er onwillekeurig vanuit gaan dat sommige dingen in hun land nooit veranderen, als een verrassing. Gretig haakten andere kranten in op het verhaal uit The Sunday Times. Journalisten worden door de hertog bereidwillig ontvangen op Chatsworth House, het majesteitelijke landgoed in het Noord-Engelse Peak District waar hij nog altijd woont.

Sinds de zestiende eeuw al huist de familie Cavendish op deze schilderachtige plek aan het riviertje de Derwent. Het barokke huis, het park en de familie zijn nog altijd onlosmakelijk met elkaar verbonden. Anders dan veel andere Engelse aristocraten die de strijd tegen de successiebelasting de laatste decennia jammerlijk verloren, hebben de Devonshires zich met veel pragmatisme en doorzettingsvermogen weten te handhaven. Openstelling van een groot deel van het huis voor het publiek en het opzetten van een stichting boden tijdig redding.

„Ik zou me gewoon niet kunnen voorstellen hier niet te wonen”, zegt de twaalfde hertog van Devonshire, een rijzige man in een donker pak met een – hoe kan het ook anders – deftig accent. Slechts zijn ongepoetste zwarte schoenen vallen enigszins uit de toon.

De hertog gaat naar eigen zeggen in het geheel niet gebukt onder de verantwoordelijkheid van het beheer van huis en landgoed. „Ik geniet er constant van. Het is ook niet zo dat dit mij opgelegd is. Ik had me er best aan kunnen onttrekken, als ik dat had gewild. Bovendien hoef ik het natuurlijk niet alleen te doen. We hebben een uitstekend team.”

Hij ontvangt zijn bezoek in de schitterende bibliotheek van de privévertrekken, die uitzicht bieden op het particuliere gedeelte van de tuin en een fontein. Het is slechts een van diverse bibliotheken in het 297 kamers tellende huis. Een butler serveert thee. Hij houdt liefhebbers een blad voor met een suikerpot waaruit klontjes met een zilveren tang moeten worden opgediept.

In deze omgeving van eeuwenoude schilderijen en antiek meubilair lijkt de tijd echt te hebben stilgestaan. Maar net als zijn ouders is de hertog er steeds van doordrongen geweest dat het geen zin heeft te zwelgen in nostalgie. Wie niet met zijn tijd meegaat, zegt hij, is gedoemd tot de ondergang. Ook de eerbiedwaardige titels en een roemrijke familiegeschiedenis – koningin Victoria bedelde tot driemaal toe of de toenmalige hertog geen premier wilde worden – kunnen daaraan niets veranderen.

Dagjesmensen

De harde werkelijkheid anno 2010 is dat Chatsworth alles op alles moet zetten om een aantrekkelijke bestemming voor dagjesmensen te blijven. Sentimenteel doet de hertog daarover niet. „Wij moeten nu concurreren met winkelcentra en amusementsparken”, zegt hij met een licht ironische ondertoon over deze speling van de geschiedenis. „Dus moeten we zorgen dat onze faciliteiten even goed en aantrekkelijk zijn als die van hen en dat we de bezoekers meer waar voor hun geld geven.”

De filosoof Thomas Hobbes, die tussen 1608 en 1628 eerst als privéonderwijzer en later als secretaris van een verre voorouder van de hertog optrad, zou herkennend hebben geknikt bij deze strijd om het voortbestaan. Hobbes immers schilderde de maatschappij af als een oorlog van allen tegen allen. Niet voor niets horen de oorspronkelijk uitgaven van de werken van Hobbes tot de pronkstukken van Chatsworth.

Met titels en gewichtigdoenerij heeft de huidige hertog, door familie en vrienden meestal aangesproken met de nogal gewoontjes klinkende bijnaam ‘Stoker’, weinig op. „Spreek hem vooral niet aan met Your Grace, drukt een medewerkster de bezoeker vooraf op het hart, al schrijft de adellijke etiquette dat eigenlijk voor. „Daar houdt hij niet van. Zeg maar gewoon Duke.”

De hertog kan vrijuit spreken. Hij maakt geen deel uit van het erfelijke contingent van 92 Lords, dat op grond van erfelijke titels nu nog de banken van het Hogerhuis bevolkt. En mogelijk zal ook dat spoedig verdwijnen. De nieuwe coalitie van Conservatieven en Liberaal-Democraten werkt aan een hervormingsvoorstel, dat het Hogerhuis definitief moet omvormen tot een geheel gekozen lichaam.

De tijden zijn snel veranderd. De vader van de huidige hertog was nog met grote vanzelfsprekendheid lid van het House of Lords, waaruit het grootste deel van de erfelijke adel pas door een hervorming van de Labour-regering in 1999 verdween. Hij fungeerde bovendien in het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw enige tijd als staatssecretaris in een kabinet van zijn oom Harold Macmillan, zelf van aristocratische afkomst. De toenmalige hertog van Devonshire erkende in een vrijmoedige bui dat het hierbij „om de grootste daad van nepotisme ooit” was gegaan.

Het paste echter ook in een lange – haast feodaal aandoende – traditie van dienst aan de publieke zaak van de Devonshires. Zo was de elfde hertog tevens enkele jaren burgemeester van Buxton, de gemeente nabij Chatsworth, en zat hij tal van liefdadigheidsorganisaties voor. „Mijn ouders maakten ons altijd duidelijk dat we iets moesten terugdoen voor de lokale gemeenschap voor het voorrecht op Chatsworth te mogen wonen”, zegt ‘Stoker’.

Zelf doet de huidige hertog dat op kleinere schaal dan zijn vader. Hij bekleedt een bestuurlijke functie bij de universiteit van Derby, niet ver van Chatsworth. Verder is hij naast zijn werk in de paardenrenwereld actief bij het veilinghuis Sotheby’s. Maar het grootste deel van zijn tijd spendeert hij toch samen met zijn vrouw Amanda op Chatsworth. Niet alleen voor zijn eigen plezier maar ook in verband met het beheer van huis en tuin.

Zekerheid door behoedzaamheid

Overeenkomstig het familiemotto ‘Cavendo Tutis’ (zekerheid door behoedzaamheid, tevens een toespeling op de familienaam Cavendish) schuwt de hertog van Devonshire forse ingrepen niet om waardevolle dingen uit het verleden te bewaren voor de toekomst. Dat bewees hij eerder al op de befaamde paardenrenbaan Ascot, waarvan hij jaren voorzitter was. Tegen veler wensen in liet hij een enorme nieuwe tribune bouwen. Ook de Jockey Club hervormde hij ingrijpend.

Onder supervisie van hem en zijn vrouw heeft het huis net een ingrijpende restauratiebeurt van 14 miljoen pond (16,5 miljoen euro) achter de rug. Het exterieur is schoongemaakt, al is dat karwei nog niet helemaal gereed. De binnenplaats wordt in oude luister hersteld. De toegang voor het publiek op de eerste verdieping is verbeterd en er is extra tentoonstellingsruimte gecreëerd.

Daar valt onder meer een tentoonstelling te zien over de moeder van de hertog ter ere van haar 90ste verjaardag. Dat is niet zomaar een aardige geste. Deborah Mitford, de jongste van de roemruchte Mitford Sisters, heeft samen met haar man een zwaar stempel gedrukt op Chatsworth. Zij waren het die het huis geleidelijk aan transformeerden van een immense particuliere woning tot een toeristische attractie van de eerste orde. Noodgedwongen, dat wel. In 1950, toen de tiende hertog overleed, werden ze geconfronteerd met een successiebelasting van 80 procent. Het kostte 17 jaar daarvoor een oplossing te vinden die voor fiscus, familie en gemeenschap bevredigend was. De familie zou het landgoed niet langer bezitten, ze betaalde voortaan huur.

Maar Debo was meer dan alleen maar een kasteeldame die goed kon jagen en paardrijden. Ze stond ook op goede voet met tal van literaire en politieke figuren en beschikte zelf over een uitstekende pen. Niemand minder dan Evelyn Waugh schonk haar een exemplaar van zijn nieuwe boek. Dat betrof echter een plagerijtje. Het bevatte afgezien van het omslag louter blanco bladzijden, zodat Debo niet de moeite hoefde te nemen het te lezen. Ook dit ‘boek’ is op de tentoonstelling te zien.

Mede dankzij de goed lopende Farm Shop voor natuurproducten, door Debo in de jaren zeventig opgezet, lijkt de financiële toekomst van Chatsworth niet langer in gevaar. Ook op een tamelijk kille doordeweekse dinsdag staan er honderden auto’s geparkeerd naast het huis en de restaurants en cafés in belendende oude gebouwen zitten vol. Het huis met zijn schitterende landschapstuin en kostbare kunstcollectie (onder meer portretten van Rembrandt, Thomas Gainsborough en Lucian Freud) blijft elk jaar honderdduizenden bezoekers trekken. Ook de financiële toekomst van de familie zelf lijkt verzekerd. Haar fortuin wordt geschat op zo’n 500 miljoen pond (610 miljoen euro).

Zes jaar geleden, na de dood van zijn vader, nam ‘Stoker’ het beheer over het landgoed en het huis op zich. Het was echter pas na lang aarzelen dat hij de titel van hertog van Devonshire aannam, waarop hij als oudste zoon recht had. Hij besefte dat de oude Britse adel in veel opzichten een anachronisme was geworden. Waarom dan nog een titel? Uit respect voor Chatsworth en alles waarvoor het staat besloot hij daaraan niettemin vast te houden.

De hertog is trots op het huis en het park. Dat uit zich op allerlei manieren. Door de haast verliefde manier waarop hij naar nieuw vergulde ramen kan kijken maar ook door bepaalde gevoeligheden. „Nee, vanuit die hoek wil ik niet worden gefotografeerd", roept hij resoluut. „Dan zie je te veel onkruid op de achtergrond en dat staat niet mooi.”

Het huis is tegenwoordig belangrijker dan de familie. Dat is op zichzelf al een teken des tijds. „Vroeger was het andersom”, bevestigt de hertog. In 1700 bouwde de toenmalige hertog het huis om politieke redenen. Hij wilde daarmee het belang van zichzelf en zijn familie onderstrepen. „Dat is de manier waarop mensen die dingen altijd doen”, zegt de hertog. „Nu komen de mensen naar Chatsworth om het landschap, de tuin en het huis te zien en om hun kinderen plezier te laten hebben in de speeltuin. Ze komen niet voor ons. Ze mogen het leuk vinden of niet dat wij hier nog wonen en sommigen vinden het misschien oneerlijk. Maar wij zijn maar een klein deel van waar het om gaat. Mijn vader zou dat voor 100 procent hebben beaamd, als hij er nog was geweest.”

Zijn band met het huis staat los van zijn overtuiging dat de aristocratie als aparte klasse tot de ondergang is gedoemd. Politiek gesproken is ze al uitgespeeld. „Ik zou serieus overwegen mijn titel op te geven als ook die laatste erfelijke zetels verdwijnen bij een hervorming van het Hogerhuis. Maar het zou een emotionele kwestie zijn en ik zou er eerst overleg over voeren met familieleden en mensen wier oordeel ik waardeer.”

Verlies aan politieke invloed

De hertog betreurt het verlies aan politieke invloed van de adel niet. En op de vraag of het geen verlies betekent voor de samenleving, fronst hij slechts de wenkbrauwen. Licht geërgerd zegt hij dan: „En waar zou dat verlies volgens u dan uit bestaan?”

De suggestie dat de adel misschien toch een bepaalde culturele en sociale waarde vertegenwoordigde wijst hij bruusk van de hand: „De culturele rol is niet erfelijk. Vertel me niet dat mensen cultureel dingen van elkaar erven van de ene generatie op de andere via een culturele elite. Dat is gewoon niet het geval. De aristocratie is ook geen team.”

En het geldt zo mogelijk nog sterker voor het sociale aspect. „Als mensen belangrijker worden gevonden op grond van een titel, is dat puur om sociale redenen. Die praktijk gaat honderden jaren terug. Maar volgens mij moet dat eerder een reden zijn van die titels af te stappen. Ik zie het nut er niet van in. Je kunt eventueel nog begrijpen dat mensen belangrijker worden gevonden omdat ze briljante wetenschappers, kunstenaars of zelfs sportmensen of politici zijn, maar niet wegens titels.”

Heeft de adel dan welbeschouwd geen enkele verdienste? „Ik moet nog steeds de gemeenschappelijk verdienste ontdekken van alle mensen die een erfelijke titel hebben. Als ze afgezien van hun titel iets gemeenschappelijks hebben, heb ik dat gemist. Het zijn heel gewone mensen met heel ongewone namen.”

Dan beëindigt de hertog van Devonshire het gesprek. Een volgende bezoeker wacht, die een boek wil schrijven over een van zijn voorouders. Ze mag in veel opzichten zijn uitgespeeld, de rijke geschiedenis van de familie Cavendish blijft een bron van fascinatie voor velen.