De amateur in het mijnenveld

Zitten er structurele fouten in de rechtspraak? Zijn er diepere oorzaken voor de dwaling in de zaak-Lucia de Berk? Rechters moeten breder worden opgeleid, vindt de Tilburgse jurist Hendrik Gommer.

De zaak tegen verpleegkundige Lucia de Berk, die jaren onschuldig vastzat, bleek achteraf een luchtspiegeling. Alleen dankzij inmenging van niet-juristen kwam er herziening en vrijspraak. Er wás geen seriemoord gepleegd op zieke kinderen of bejaarden. Het ging om natuurlijke sterfgevallen.

Hoe konden rechters zó overtuigd raken van haar daderschap dat ze haar én levenslang én tbs gaven? Waarna zes jaar later het medisch bewijs opnieuw werd geïnterpreteerd en bleek dat niet alleen zij niet de dader was, maar helemaal niemand. Deze ongelooflijke gebeurtenis heeft de rechtspraak in de kern geraakt. Hoe kan herhaling worden voorkomen? Hoe kon zo’n collectieve dwaling optreden?

Een van de mogelijkheden is dat de rechters te ontvankelijk bleken voor belastende informatie, voor beeldvorming van de verdachte en zo eenzijdig negatief de feiten waardeerden. Maar hoe kwam dat? Ligt het probleem bij de persoon van de rechters zelf?

Het lijkt erop. De toenmalige president van de rechtbank Den Haag, Hans Hofhuis, pleitte in juni in het Tijdschrift voor de Rechterlijke Macht Trema, voor een (extern) onderzoek naar de redeneringen in deze vonnissen. In het bijzonder naar „de psychologische wetmatigheden of valkuilen bij het vormen van het oordeel, de invloed van het dossier daarop, de rol van intuïtie bij het oordeel en de motivering”. Hij vond uiteindelijk zijn rechters „niet professioneel”.

Maar het gaat verder. Volgens de Tilburgse jurist dr. Hendrik Gommer schieten juristen in het algemeen tekort op het gebied van psychologie, biologie, logica én sociologie. De gemiddelde jurist weet volgens hem niet waar het gedrag van mensen vandaan komt, hoe ze (zelf) denken, of straffen effect hebben en waar de behoefte aan straffen überhaupt vandaan komt. En ook niet of wetten wel praktisch effect hebben.

Gommer ziet juristen vooral als schriftgeleerden die meester in de tekstuitleg worden. Die geen wetenschappelijke input uit andere vakken krijgen. Die als amateur het mijnenveld van de menselijke conflicten in worden gestuurd, bewapend met alleen juridische „dogmatiek”.

Gommer voltooide zelf na godsdienstwetenschappen en biologie de studie rechtsgeleerdheid, in anderhalf jaar. Hij geeft behalve rechtsfilosofie en encyclopedie van het recht sinds kort rechtsbiologie, een vak dat hij in Nederland introduceerde. Ook geeft hij lezingen voor rechters, onder meer bij het opleidingsinstituut rechtspleging SSR (zie kader). Hij publiceerde over de biologische en genetische oorsprong van het rechtsgevoel. In zijn cursus gaat het onder meer over „moraalbiologie” als rechtsbron. Of en wanneer de rechter zijn verontwaardiging laat meespelen, waar dat vandaan komt en hoe de rechter dat beredeneert in zijn uitspraak. Soms weegt de rechter de moraal onbewust zwaarder dan de wet, die daarvoor opzij wordt gezet.

Gommer zegt dat rechtsgevoel een genetische basis heeft. Hij vergelijkt rechterlijke oordelen met straf- en beloningsgedrag van resusapen en werkbijen. Hij laat rechters zien dat ook de Hoge Raad de wet soms breekt op basis van biologisch gefundeerd „rechtsgevoel”. In de rechtsbiologie gaat het per definitie over het bevorderen van samenwerking en het afstraffen van profiteurs. Wie niet solidair is en slechts profiteert wordt in apenkolonies en bijenvolken geïsoleerd of geslagen, zegt hij. Datzelfde idee leeft diep in de mens en dus ook in de rechter.

Als voorbeeld gebruikt Gommer vaak de zaak over de „Onwaardige Deelgenoot” uit 1992. Daarin nam zowel het gerechtshof als de Hoge Raad een man zijn huwelijkserfdeel af na de dood van zijn vrouw. Het hof omdat het in dit geval „stuitend voor het rechtsgevoel” zou zijn. De Hoge Raad wegens strijd met de „redelijkheid en billijkheid” uit het aanverwante contractenrecht. De man was namelijk een oplichter die zijn schatrijke vrouw vijf weken na hun huwelijk vermoordde. Volgens het strafrecht ging hij de gevangenis in. Maar volgens de letter van het familierecht wel als rijk man. Gommer betoogt dat de moraalbiologie bij hof en Hoge Raad hier de doorslag gaf.

Formele regels

Formele regels zouden wel eens minder belangrijk kunnen zijn voor de uitkomst van juridische processen dan we denken. „Het is alleen het enige wat rechters hebben om in hun motivering te gebruiken.” Ingewanden lezen of met de dobbelsteen gooien wordt in ons type samenleving nu eenmaal niet legitiem gevonden. Wij gebruiken liefst ingewikkeld beargumenteerde regels en lange procedures om oordelen te accepteren, zegt hij.

Gommer las de uitspraken in de zaak-Lucia de Berk nog voor de herziening: „Als de rechters wél biologie hadden gehad in hun opleiding, waren ze kritischer geweest”, denkt hij. Er waren „zoveel contra-indicaties” – daar had geen veroordeling uit moeten komen. „Maar ik kon uit de motivering ook niet afleiden dat ze het niet heeft gedaan. Wat de verdediging aanvoerde, werd wel heel makkelijk terzijde geschoven. Tussen de regels was er toch een bepaalde intuïtie dat ze het gedaan had. Dan gaat de rechter argumenten gebruiken die daarbij passen.”

Maar rechters menen toch dat ze volstrekt neutraal naar een zaak kijken om er daarna objectieve regels op toe te passen? Ze hanteren de formule „feiten × regels = uitspraak”. Feiten worden vastgesteld aan de hand van wettig bewijs. De „rechterlijke overtuiging” is alleen aan het eind van het proces doorslaggevend.

Intuïtie, gestuurde argumentatie? Voor hard core rechtspositivisten is dat vloeken in de kerk. Zoals Erik van den Emster, voorzitter van de Raad voor rechtspraak, in deze krant (15 mei) zei: „Je kunt zoveel overtuigingen of indrukken hebben als je wilt, maar zonder wettig bewijs wordt het vrijspraak.” De rechterlijke overtuiging noemde hij niet meer dan de „controle-rem”. Het wettig bewijs van (harde) feiten de absolute maatstaf.

Maar dat feiten bestaan en de mens een rationeel wezen is, die „alles objectief kan benaderen”, is volgens Gommer sowieso een fictie. Volgens hem bestaan in het recht alleen situatieschetsen, gepresenteerd door procespartijen met belangen. „Feiten bestaan niet. Rechtsregels passen nooit op praktijksituaties. Die regels weerspiegelen opvattingen of idealen over hoe het zou moeten zijn. Maar de werkelijkheid is weerbarstiger en complexer dan je ooit in een regel kunt samenvatten.” Volgens hem interpreteert de rechter door procespartijen geïnterpreteerde feiten opnieuw aan de hand van een richtlijn. Daarbij heeft hij de keus uit ten minste acht interpretatiemethodes die allemaal een andere uitkomst kunnen hebben. Gommer geeft er les in. De belangrijkste methodes die juristen leren zijn de grammaticale, de wetshistorische, de systematische, de anticiperende, de rechtsvergelijkende, de analoge, de a-contrario en de teleologische methode. Anders gezegd: methodes die of de letterlijke tekst van de wet, de geschiedenis, de context, de systematiek, de waarschijnlijke bedoeling ervan, de interpretatie in andere landen of wetten, als uitgangspunt nemen.

Doorgaans kiest de rechter onbewust die methode die het dichtst in de buurt komt van de uitkomst die hem redelijk voorkomt. Daarbij speelt intuïtie bij rechters net als bij andere mensen een belangrijke rol. Het is volgens hem in de psychologie algemeen aanvaard dat de meeste beslissingen eerst onbewust worden genomen. „Intuïtie is een verzamelnaam voor gedachten en gevoelens die uit je onderbewuste naar boven komen. Uit de diepere lagen van je hersenen. Iedereen heeft dat. Alles wat in onze hersenen zit wordt gevoed door wat je hebt meegemaakt. Afhankelijk van je ervaringen of je training krijg je een andere intuïtie. Iemand die als rechter is opgeleid en ervaring heeft kan dus een ingeving krijgen omdat hij eerder al soortgelijke zaken heeft gehad. ‘Het zal wel die kant opgaan. Ik vermoed dat dit de beste oplossing is’.” Daarna ontstaat er een innerlijk proces van controleren, selecteren en redeneren, voor een groot deel ook onbewust, waarin het oordeel wordt gevormd en gemotiveerd.

Rechterlijke sprong

Die intuïtieve eerste stap werd al ruim een eeuw geleden door de rechtsgeleerde Paul Scholten (1875) omschreven als de „rechterlijke sprong”. Rechtsvinding was ook volgens hem geen mechanische kwestie. Maar juist een dynamisch proces waarin de overtuiging of het geweten van de rechter beslissend is. Scholten had het al over een innerlijke afweging, een „irrationeel zedelijk oordeel”. De rechter mocht er nooit te veel aan toegeven – en hij moet er altijd voor zorgen dat hij dat innerlijke idee met zijn verstand kon motiveren. Dát er in ieder rechterlijk oordeel een irrationeel element zit, stond ook voor Scholten vast.

Gommer noemt de intuïtie een „interessante aangever” van oordelen, ideeën en beslissingen „waar je alleen niet blind op kan varen”. Want ook daar spelen genetische factoren een rol. Angst voor vreemdelingen bijvoorbeeld, voor plotselinge veranderingen. Zoeken naar bevestiging, het maken van een eerste taxatie. Aan dergelijke snelle wegwijzers „heeft de mens evolutionair voordeel gehad”. Ook de neiging om te straffen heeft genetische wortels. Biologisch kan vergelding worden gezien als de intuïtieve verdediging van de groep tegen profiteurs die zo stabiel wordt gehouden. Groepscohesie is aangeboren.

Van zulke onbewuste denkprocessen moet de rechter zélf in ieder geval op de hoogte zijn. Net als van fenomenen als groepsdenken en loyaliteitsconflicten in de rechtszaal. Gommer zegt dat hij makkelijk praten heeft als hij een kritisch oordeel velt over de vonnissen in de zaak-Lucia de Berk. Juist omdat hij ze thuis nalas in een makkelijke stoel. Hij hoefde niet dagenlang vrijwel achter dezelfde tafel te zitten als een officier van justitie die hij vaak ziet, met wie hij opleiding en vakgebied deelt en misschien sociale contacten heeft. Die tafel voelt dan al gauw als „wij tegen de rest”. Hij wisselde evenmin steeds meningen uit met collega-rechters wier redeneringen hij goed kent, op wiens denken hij kan anticiperen.

Vergelijk dat met de verdachte die (meestal) maar één keer bij deze rechter komt en een totale vreemde is en blijft. Dat ruim 90 procent van de verdachten door de rechter wordt veroordeeld, kan onbewuste verwachtingen en anticiperend gedrag veroorzaken. Gommer: „Ook de verdachte maakt een bepaalde indruk. Het systeem zuigt je mee. Onderzoekers die met hooligans meelopen gaan met stenen gooien. Zo werkt dat. Ik weet ook niet of ik onder die omstandigheden in staat was geweest anders te beslissen.”

Rechtsbronnen

Juristen moeten ook daarom af van hun eenzijdige nadruk op de studie van rechtsbronnen. Tweehonderd jaar geleden wisten juristen veel van andere vakken, zegt hij. „Nu heeft men zich teruggetrokken in het rechtspositieve bolwerk. Daardoor vormen juristen ook steeds meer een afgescheiden werkelijkheid. De maatschappij vraagt zich soms af: zijn dat nog wel mensen die zoals wij denken?”

Gommer zegt dat juridisch onderzoek veel weg heeft van het in kaart brengen van sterrenbeelden of het systematiseren van plantensoorten. Nuttig, daar niet van. Maar de slag naar een moderne manier van denken wordt gemist. Ook faculteiten van rechtsgeleerdheid moeten zich openstellen voor steunvakken. De rechtenstudie en de jurist moeten interdisciplinair worden, zegt hij. Waarom laten we niet alvast afgestudeerden uit andere vakken via een schakelprogramma toe tot de Masterfase van rechten? Of verbreed de toegang voor zij-instromers in de rechterlijke macht tot juristen die er een ander vak bij deden. En dus niet de zes verplichte jaren juridische praktijkervaring hebben. Spijker die maar in de praktijk bij. Zo haal je wél andere kennis binnen.

Maar bovenal: maak een omslag in de rechtenstudie. Voeg modules van andere disciplines in de rechtenstudie in. Maak die studie zwaarder en desnoods langer door er cursussen psychologie, biologie, sociologie, wetenschapsfilosofie en statistiek aan toe te voegen. Dan doorbreek je het eenzijdige juridische denken. Positief recht biedt alleen schijnzekerheid, zegt Gommer. Rechters spreken recht „zoals wij hun dat leren. Die fouten bij Lucia, die moeten we onszelf aantrekken. Die rechters hebben ze gemaakt, maar wij dragen de schuld.”