'Clubs moeten hun eigen broek ophouden'

Clémence Ross is de eerste vrouwelijke voorzitter in de eredivisie. Met de frisse blik van een nieuwkomer. „Als het om voetbal gaat doen mensen erg overdreven.”

Helmond Sport had vorig jaar de primeur. Met Antoinette Knoet-Michels werd daar de eerste vrouw benoemd tot voorzitter in het betaald voetbal. Maar Clémence Ross (53) mag zich sinds anderhalve maand de eerste vrouwelijke voorzitter in de eredivisie noemen. De voormalig CDA-staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2002-2007) doet het werk naast haar baan als directeur van het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) en het voorzitterschap van de Stichting Eredivisie voor Vrouwen. Omdat zij „gek is van voetbal”. En omdat de contacten die zij bij De Graafschap opdoet een goede aanvulling vormen op haar bestaande netwerk.

U bent voorzitter van de koploper in de eredivisie. Proficiat.

Lacht. „Ja, mooi hè? Studio Sport meldde na de eerste speeldag per abuis dat De Graafschap bovenaan stond in de eindstand van de eredivisie. Ik dacht ‘snel een foto maken en dan vergeten’. Zaterdag (vandaag, red.) wacht de uitwedstrijd tegen PSV. Daarna staan we vast met beide benen op de grond.”

Waarom wilden ze u als voorzitter?

„Ik ben al lang Graafschapsupporter en onderhoud goede contacten met het bestuur. Maar belangrijker is dat het bestuur zich kan vinden in mijn visie op de toekomst van de club.”

Kunt u een voorbeeld geven?

„Naast de sportieve prestaties vind ik ook de maatschappelijke betekenis van sport belangrijk. En dat geldt ook voor onze supporters, die voor de helft uit ‘superboeren’ en de helft uit ‘superboerinnen’ bestaan. Vaak gaat het om mensen die geven om hun leefomgeving en zuinig zijn met energie en groen. Dus als je een stadion bouwt (De Graafschap wil binnen vier jaar de huidige Vijverberg verlaten, red.) moet je daar rekening mee houden.” Ross vertelt dat een dakspecialist op 1 april vorig jaar bij wijze van grap voorstelde een stadion in de vorm van een tractorband te bouwen. Het complex zou geheel uit duurzaam materiaal bestaan. „Supporters reageerden uitgelaten op het voorstel”, vertelt de voorzitter verheugd. „Dit past bij ons, zeiden ze: het boerenleven, maar dan anders.”

U staat bekend om uw uitgebreide netwerk. Speelde dat een rol bij uw benoeming?

„Zeker. Ik weet hoe mensen denken, hoe je ze benadert. Ik kan verbindingen tussen verschillende werelden leggen. Dus toen ze me vroegen hoe ik politiek draagvlak voor de bouw van het nieuwe stadion ging creëren, kon ik dat meteen concreet maken.”

De KNVB presenteerde vorige week een onderzoek naar de financiële positie van profclubs. De Graafschap zit in het rijtje met clubs die in een zorgelijke staat verkeren. Hoe voorkomt u erger?

„Wij zitten inderdaad in de middengroep. Maar dat neemt niet weg dat wij sinds een paar jaar keurig binnen de begroting blijven. Dat wij in categorie twee zitten heeft alles te maken met de erfenis uit het verleden [een groep sponsors redde De Graafschap in 2005 van de financiële ondergang]. Er moet nog altijd wat schuld worden afgelost. Maar ik verzeker u dat wij de komende jaren niet verder springen dan onze financiële polsstok lang is. Sportief moeten we het doen met het geld dat we hebben.”

Hoe verklaart u dat zoveel clubs noodlijdend zijn?

„Het is heel verleidelijk om als club boven je stand te leven. Zo van: als ik die en die speler koop, komt er volgend seizoen meer geld binnen. Maar spelers zijn zó duur, dat ze zichzelf zelden terugverdienen. Er worden onverantwoorde risico’s genomen.”

Denkt u nooit: absurd duur?

„Ja. De salarissen van spelers rijzen de pan uit. Dat is niet gezond voor de clubs, maar ook niet voor de ontwikkeling van al die jongens. Toch wordt al dat geld in binnen- en buitenland grif betaald, waardoor schulden soms in de miljoenen lopen. En wat ik nou zo erg vind, is dat clubs op die manier jarenlang kunstmatig in leven worden gehouden.”

U bent ertegen dat gemeenten clubs financieel steunen?

„Ja. Clubs moeten hun eigen broek leren ophouden, ze mogen hun problemen niet afwentelen op gemeenten. Want het kan toch niet zo zijn dat de ene club dure aankopen doet met geld van de belastingbetaler en de andere niet? Dat is, hoe je het ook wendt of keert, competitievervalsing. Ik vind het een goede zaak dat de KNVB straffen oplegt als clubs hun boekje te buiten gaan. Puntenaftrek is een prima middel om de boel op orde te houden.”

Je kunt je afvragen of zo’n maatregel volstaat. Die competitievervalsing los je er niet mee op.

„De verleiding is groot voor gemeenten om clubs te steunen, omdat ze een belangrijke maatschappelijke functie hebben. Denk aan de economische bedrijvigheid in een stad, het vrijwilligerswerk en de supportersactiviteiten. Maar dat neemt niet weg dat ik tegen financiële ondersteuning ben. Het zou beter zijn als clubs en gemeenten meer samenwerken, bijvoorbeeld bij projecten voor jongeren, werklozen of gehandicapten. Dat komt de relatie ook ten goede.”

Ziet u in die processen een rol voor uzelf weggelegd?

„Dit najaar wil ik clubbestuurders en sportwethouders van steden met een Betaald Voetbal Organisatie bijeenroepen om te bekijken hoe we clubs financieel onafhankelijker kunnen maken. Hoe we die competitievervalsing tegen kunnen gaan. En hoe we een grotere maatschappelijke rol kunnen vervullen. Voor een deel is het eigenbelang, want ik hoop dat De Graafschap van de ervaringen van andere clubs kan leren. Hoe hebben zij bijvoorbeeld hun nieuwe stadions bekostigd zonder in de rode cijfers te komen? Maar het gaat natuurlijk veel verder dan dat. Het belangrijkste is dat clubs financieel gezond worden. En daarbij moeten we niet wachten op initiatieven van gemeenten en KNVB. Clubs hebben ook een eigen verantwoordelijkheid.”

De Tilburgse wethouder Jan Hamming riep de KNVB onlangs op de miljoenen die met het WK verdiend werden, aan te wenden om noodlijdende clubs bij te staan. Wat vindt u van zo’n oproep?

„De KNVB ondersteunt clubs op tal van manieren. Maar ik zie niet in waarom de bond verantwoordelijk is voor het geld dat gemeenten aan clubs spenderen. Daar kiezen die gemeenten toch zelf voor? Als zij zó veel geld in een club steken dat zij in de problemen komen, is er iets grondig mis.”

Iets heel anders. U bent als vrouw in een machowereld terechtgekomen. Bevalt het?

„Bij de meeste bestuurlijke functies die ik heb bekleed, was ik als vrouw in de minderheid. En mijn ervaring is dat het vaak een kwestie van aftasten is. Bij De Graafschap stel ik als vrouw soms vragen die niet snel bij een man opkomen. Daar moeten ze maar aan wennen, denk ik dan. Door mijn jarenlange ervaring in Den Haag loop ik trouwens veel bekenden tegen het lijf. Zoals Nico Janssens [voorzitter Excelsior] die vroeger wethouder was in Rotterdam. Of Paul Bottelier [voorzitter van Willem II], die jarenlang werkzaam was in de zorg. Ach, het sportwereldje is best klein.”

U denkt niet: ik wil alles van voetbal weten om te kunnen meepraten met mannelijke collega’s?

„Nee. Want ik vind dat mensen erg overdreven doen als het om voetbal gaat. ‘Het is zó anders’, wordt er dan gezegd. ‘ Je weet niet waar je in terechtkomt’. Alsof je een voetbalstudie moet hebben gevolgd om er iets van te mogen vinden. Ik mag dan niet alles van techniek weten, ik weet wel hoe je de randvoorwaarden creëert om sportief succes te behalen. Dat lijkt mij geen detailkwestie.”

Voetbal wordt groter en interessanter gemaakt dan het is.

„Ja, we moeten het niet mythologiseren.”

Voetbalkenner Johan Derksen concludeerde na uw benoeming dat het niets kon worden, omdat het u aan knowhow ontbreekt.

„Je kan een heleboel leren. Maar de vraag is wat je nodig hebt aan parate kennis om een goede voorzitter te zijn. Moet ik bijvoorbeeld alle clubuitslagen vanaf de jaren vijftig kennen? Nee. Belangrijker is dat ik goed omga met voor mij onbekende situaties. En in die harde voetbalwereld – die van emotie aan elkaar hangt – is dat best een uitdaging. Kijk, dat het Johan Derksen niet is opgevallen dat ik al jaren meeloop in de sportwereld, zegt natuurlijk alles over zijn gebrek aan kennis.”

Het gaat hem misschien meer om zaken als de buitenspelval.

Veert op. „Ja, alsof ik dát niet zou begrijpen! Ik ben al mijn hele leven voetballiefhebber. Ik weet niet minder over voetbal dan de gemiddelde mannelijke supporter van mijn leeftijd. Ik heb in het zaalvoetbal wedstrijden gefloten en wat gecoacht bij de mannen, jaren geleden. Twee van mijn drie dochters hebben gevoetbald. Dus dat zit wel goed.”

Over vrouwenvoetbal gesproken: wat dacht u van een vrouwenelftal voor De Graafschap?

„Er zijn relatief weinig vrouwen in Nederland die op hoog niveau voetballen. En in onze regio doen Zwolle en FC Twente al mee aan de eredivisie voor vrouwen. Dus voor de korte termijn zeg ik: nee. Maar ik sluit niet uit dat het er ooit nog eens van komt.”

U bent een druk bezette moeder. Krijgen uw dochters ook een beetje aandacht?

„Mijn kinderen zijn eraan gewend dat ik vaak weg ben. Toen ik afzwaaide in Den Haag, zei mijn jongste dochter: ‘nou ben je toch niet elke avond thuis hè?’ Dat zei ze niet omdat ze een hekel aan mij heeft, maar omdat iedereen zijn leven ernaar heeft ingericht. Ze weten dat ik een workaholic ben.”

U bent al drie jaar weg uit Den Haag. Maar stel nu dat het CDA u benadert om de eerste minister van Sport te worden. Gaat het dan niet een beetje kriebelen?

„Aan dat scenario heb ik geen seconde gedacht. Anders was ik ook geen voorzitter van De Graafschap geworden. Na ruim acht jaar Den Haag heb ik dat hoofdstuk afgesloten. Maar als ze in heel Nederland niemand kunnen vinden... wie weet.”