Alabama eist voor rechter geld van BP

De Amerikaanse staat Alabama daagt energieconcern BP voor de rechter. De staat eist een nog onbekend bedrag van BP en andere bedrijven die betrokken zijn bij de olieramp in de Golf van Mexico.

Dat maakte de openbaar aanklager van Alabama gisteren bekend. De zuidelijke staat stelt in de aanklacht tegen BP en de Amerikaanse bedrijven Halliburton en Transocean dat de kustlijn en economie van Alabama zwaar zijn beschadigd door het olielek.

De olieramp in de Golf ontstond in april toen een explosie op het olieplatform Deepwater Horizon (eigendom van Transocean) de aanleiding vormde tot de grootste olieramp uit de Amerikaanse geschiedenis.

Het is niet de eerste zaak tegen BP sinds er olie begon te lekken in de Golf. Er zijn nu driehonderd zaken aangespannen in twaalf verschillende Amerikaanse staten.

Gisteren werd ook bekend dat het olielek wellicht nog niet voorgoed is gedicht. BP hoopte dat het met het pompen van zand en modder bovenin het lek de klus zou hebben geklaard. Maar de Amerikaanse overheid wil dat BP doorgaat met het boren van een gat naar de onderkant van de lekkende oliebron, zodat er ook vanaf de onderkant zand en modder ingepompt kunnen worden.

Bij de explosie op het platform kwamen elf mensen om. Het duurde tot juli eer BP het lek kon dichten. Er was toen al circa 784 miljoen liter olie de Golf v an Mexico ingestroomd.

De ramp en het effect dat deze heeft op BP en zijn aandelenkoers, hebben ook gevolgen voor het Noorse staatsinvesteringsfonds. Dit fonds zag de waarde van de investeringsportefeuille in het tweede kwartaal dalen met 5,4 procent.

Het grootste staatsinvesteringsfonds ter wereld na het fonds van de Verenigde Arabische Emeraten, had een belang van meer dan 1 procent van de uitstaande BP-aandelen. De waarde van deze belegging daalde van 18,6 miljard kroon (2,4 miljard euro) naar 10,6 miljard kroon.