'Zonder Tweede Kamer is Geert Wilders niets'

Tegen alle verwachtingen in won de PVV, ongrijpbaar voor peilingen, pers en politici, bij de verkiezingen van afgelopen juni 24 zetels, werd daarmee de derde van het land, en doet momenteel mee aan formatiebesprekingen.

In Van regentenmentaliteit tot populisme, het onmiskenbaar beste politieke boek van afgelopen seizoen, schetst hoogleraar vaderlandse geschiedenis Henk te Velde (Universiteit Leiden) een van de redenen voor die ongrijpbaarheid: het ontbreken van een populistische traditie in Nederland.

‘In zekere zin is een populistische traditie ook een contradictio in terminis’, legt Te Velde uit. ‘Populisten keren zich immers per definitie tegen bestaande instituties, alles moet anders, met nieuwe politiek, los van erkende tradities.’

Waarom kun je ondanks alle populistische politici uit de Nederlandse geschiedenis niet spreken van een populistische traditie?

„Bij traditie moet sprake zijn van overdracht. En die is er niet. NSB-leider Mussert verwees niet naar de socialist Troelstra, boer Koekoek niet naar Abraham Kuyper of Mussert. Oké, Pim Fortuyn verwees naar Joan Derk van der Capellen tot den Pol en zijn pamflet Aan het volk van Nederland, maar dat was meer show. En bij Wilders zijn de referenties aan Fortuyn ook nog wel heel voorzichtig. Jan Blokker wees in zijn bespreking van mijn boek in NRC Handelsblad op zo’n referentie. Wilders zou naar Fortuyn hebben verwezen als een wegbereider. Daar lijkt inderdaad een begin van een traditie te zijn, maar nog wel heel dunnetjes.”

Nieuwkomers die verandering willen, zo schrijft u, weten die alleen te bewerkstelligen als ze de bestaande regels en tradities goed kennen.

„Als je effect wilt hebben in de Tweede Kamer, kun je niet zeggen: we trekken ons helemaal niets aan van de regels. Wij zijn nieuwe politiek en we zullen het eens allemaal anders doen. Dat leidt tot niets, behalve natuurlijk als je in één keer met een meerderheid binnenkomt, dan heb je een soort revolutie, een onwaarschijnlijk scenario. De LPF kwam binnen met 26 zetels. De PVV met 24 zetels. Dat heeft schrik en opwinding veroorzaakt, maar is natuurlijk nog steeds slechts eenzesde van de zetels. Wil je iets bereiken, dan moet je het spel meespelen.’’

En dat doet Wilders dus?

„Anders dan de LPF’ers destijds, brengt hij een enorme ervaring mee. Hij kent de trucjes. Hij toont ook de ruwheid en botheid van iemand die weet hoeveel daarvan effectief is in de Kamer. Het is gedoseerde botheid. Interessant is hoe hij, de zogenaamde nieuwkomer, met zijn PVV te maken kreeg met een nieuwe Kamervoorzitter, Gerdi Verbeet, die aanzienlijk minder ervaring had dan hijzelf. Daar heeft hij mede zijn grote succes aan te danken. Want vergeet niet: zonder Tweede Kamer is Wilders niets. Je kunt zeggen: hij heeft ook de media. Maar niet zonder zijn basis, zijn zetels in de Tweede Kamer. Bovendien bedient hij de media heel spaarzaam. Hij zit nooit bij Pauw en Witteman, of in allerlei praatprogramma’s waarvan de mare gaat dat ze onontbeerlijk zijn voor politiek succes.”

In uw boek trekt u de vergelijking met Abraham Kuyper, de voorman van ‘de kleine luyden’, oprichter van de anti-revolutionaire partij.

„De eerste keer dat Kuyper in de Kamer kwam, in de jaren zeventig van de 19de eeuw, voelde hij zich als een kat in een vreemd pakhuis en werd letterlijk tijdenlang overspannen. Als predikant was hij gewoon een bepaalde toonsoort aan te slaan en die werkte totaal niet tussen al die keurig formulerende juristen in de Tweede Kamer. De publieke uitstraling van het parlement begon toen ook pas net, dat is niet te vergelijken met nu. Het was een wereldje in én op zichzelf.

„Toen Kuyper twintig jaar later voor de tweede keer in de Kamer kwam, was alles anders. Hij kwam toen binnen op de vleugels van een grote beweging, een beetje zoals Fortuyn. Hij was ook enorm charismatisch, in de zin dat mensen zich persoonlijk met hem verbonden voelden, in een soort religieuze band, wat je ook wel bij Fortuyn zag. Uiteindelijk reikte zijn invloed tot buiten de eigen kring. Hij werd allengs door zijn liberale tegenstanders als een soort schreeuwlelijk gezien, met onmiskenbare verdiensten voor de Nederlandse samenleving. Kortom, hij is beter met Fortuyn dan met Wilders te vergelijken.”

Laten politieke tegenstellingen zich wel altijd in stijl vertalen?

„Als het gaat om dit soort tegenstellingen, vaak wel. Op dit moment is de grootste tegenstelling in de politiek die tussen in- en outsiders. Die tegenstelling heeft natuurlijk ook sociaal- economische kanten, dat erken ik direct: tussen hen die globalisering prachtig vinden en zij die bescherming zoeken, misschien wel vooral autochtone, mannelijke burgers. Maar deze tegenstelling toont zich ook in politieke stijl: in de manier waarop beide kampen elkaar verketteren zit een patroon. De outsiders zeggen: kijk, die lui in Den Haag zeggen niet waar het op staat, die hebben allemaal meel in de mond en ondertussen spelen ze elkaar de bal toe. De insiders zeggen: die grofheid doet geen recht aan de waardigheid van de politiek. Als je zo met politiek en bestuur omgaat, verliezen instituties aan gezag. Dat creëert een vrijbrief aan iedereen om overál tegenaan te schoppen.

„In zekere zin is het waar dat als je de kritiek op het regentendom doorvoert tot het uiterste, je de vertegenwoordigende politiek om zeep helpt. Zoiets is niet voorbehouden aan de huidige populisten. ”

D66 heeft toch ook altijd directere vormen van democratie verdedigd?

„Zeker, maar niemand lag echt wakker van de kritiek van Van Mierlo, omdat D66 qua toonhoogte verder niet erg afweek van de elite en hij zijn kritiek gemoedelijk en met humor bracht. Bij Wilders wordt die directe democratie veel tastbaarder. Scherper en schriller ook.”

Maar niet onoorbaar?

„Als historicus is het belangrijk om patronen bloot te leggen. Een daarvan is dat de kritiek op het parlement eigenlijk altijd onderdeel is geweest van het spel zelf. Dat heeft te maken met de aard van het spel dat de Tweede Kamer biedt. Die is onvergelijkbaar met ganzenbord of Monopoly. Daarin kun je vals spelen, maar je kunt de regels niet ter discussie stellen. Dat kan in de politiek nu juist wel. Als jongetje ging ik wel eens voetballen op een veldje in de buurt. Met regenjassen maakten we doelpalen. Natuurlijk kwam het dan vaak voor dat onenigheid ontstond over een doelpunt, ging die bal wel of niet tussen de palen? Er was geen scheidsrechter. In de Kamer is het net zo; uiteindelijk is Gerdi Verbeet niet de scheidsrechter, haar gezag is gebaseerd op de instemming van de Kamer. Als die iets anders wil, gaat het anders. Als de spelregels zelf inzet zijn van het spel, zal je altijd zien dat daar vervolgens weer een spel mee wordt gespeeld, om de kiezersgunst, voor een betere uitgangspositie. Neem het commentaar op de eigen productiviteit. Het idee dat Kamerleden lui zijn en zakkenvullers gaat minstens een eeuw terug.”

Dat werd toch vooral in de jaren dertig van de vorige eeuw gezegd?

„Nooit was het zo stellig als toen. Maar er is een belangrijk verschil. De populisten van de jaren dertig stelden de hele democratie ter discussie. Nu doet niemand dat. Wat je nu natuurlijk wel ziet, is het gescheld op een andere bevolkingsgroep. Dat zag je in de jaren dertig, maar ook in de jaren zeventig van de 19de eeuw. Kuyper heeft er lang over gedaan om een politieke strategie uit te vogelen. Ook in dat opzicht is hij goed vergelijkbaar met Fortuyn. Hij deed dat op gevoel. Kijken wat werkt en dat dan inzetten. Zo heeft hij een tijdje gefulmineerd tegen joden, als vijanden van de calvinistische kern van het vaderland. Maar later heeft hij dat grotendeels laten vallen. Het werkte niet. Zijn anti-katholicisme werkte daarentegen wel. Zijn beschrijvingen van de strijd van de watergeuzen tegen de katholieken waren zo plastisch dat je de gruwelijkheid van de strijd voor je zag. Maar uiteindelijk matigde hij dat ook weer, toen hij een bondgenootschap sloot met de katholieken.”

Was hij een goede politicus?

„Dat hangt af van wat je daaronder verstaat. Voor sommigen is een goed politicus een staatsman, een goede bestuurder. Voor anderen is dat iemand die de stem van de kiezer goed kan vertolken, die mensen het gevoel geeft dat ze in Den Haag worden gehoord. Kuyper was daar een meester in. Bovendien was hij een uitstekende partijmanager.

„Deze spanning tussen bestuurder en volksvertegenwoordiger speelt sinds de Fortuynrevolte van 2002 een enorme rol in de Nederlandse politiek. Politici proberen uit te vinden wat hun rol is, wat de regisseur, het publiek, van ze verwacht. Wat voor type politicus komt uit deze verwarring naar voren? De klokkenluider? Types als Fortuyn, Verdonk, Wilders? Dat kan, maar je voelde bij het aantreden van Cohen als lijsttrekker van de PvdA ook een soort opluchting bij een belangrijk deel van het electoraat. Zo van: ja, ook het type vaderlijke bestuurder dat voor kalmte en bezinning staat, heeft nog toekomst. Van Cohen is nu de algemene gedachte: als politicus is hij misschien niet zo denderend, maar voor het premierschap is hij vast erg geschikt. Hij appelleert aan een gevoel dat ondanks alle opwinding en ook theatraliteit van de laatste jaren kennelijk nooit helemaal is verdwenen.”

Dat verklaart het aanvankelijke enthousiasme voor hem?

„Ja, dat heeft te maken met de 19de-eeuwse achtergrond van ons parlement, toen het een bescheiden, kalm orgaan was. Dat is aan het veranderen, zeker, maar ook het rustige, collegiale zit er nog steeds in. Dat verklaart waarom mensen in Cohen het antwoord zagen op de opwinding en onzekerheid die sinds 2002 de politiek domineren. Cohen straalt uit: wij politici hoeven niet voortdurend mee te gaan met Wilders en dat soort figuren. We kunnen ook zeggen: we zijn het er gewoon niet mee eens. Pechtold had dat effect natuurlijk ook wel, maar vooral in de PvdA leek het lange tijd alsof niemand de durf en de wil had om met argumenten Wilders te bestrijden. Ze leefden daar na 2002 in een enorm schuldbewustzijn: we hebben het helemaal fout gedaan, we hebben niet goed geluisterd naar de stem uit de oude wijken. Een cultuur van zelfkastijding vierde hoogtij. Cohen straalt iets heel anders uit. Jongens, er moet gewoon bestuurd worden en dat moet op een andere manier dan de heer Wilders wil. Punt.”

U zegt tegen politici: houd het hoofd koel?

„Inderdaad. En overdrijf de betekenis van het verzet tegen de bestaande politiek niet. Zeker, er is een aanzienlijke groep die zegt ‘luister naar het volk en laat het allemaal maar over aan Geert, die regelt het allemaal wel’. PVV’er Fritsma zei na de gemeenteraadsverkiezingen iets als: ‘we gaan de gevestigde orde eens helemaal gek maken’. Wilders boekt succes door dingen te roepen die appelleren aan dit sentiment, zeker, maar of hij die dingen van al die stemmers ook echt moet uitvoeren, is de vraag. Ik weet ook niet of dat van Wilders zelf eigenlijk wel moet. Daar zit iets ingewikkelds in. Daarom is het ook handig van hem dat hij die regeling met CDA en VVD heeft getroffen: hij kan blijven zeggen wat hij wil, maar zonder dat daar praktische consequenties aan verbonden zijn.

„Tegelijkertijd valt het veel politici nog altijd zwaar om Wilders tot normale proporties terug te brengen. Om te zien: al roept hij hard, dit is ook maar een politicus, met gewoon een partij met standpunten, al zijn het standpunten die we principieel afwijzen. Dat was in zekere zin ook het project van mijn boek. Ik bestudeerde allerlei tradities van de Nederlandse politiek, zoals die van de premier en de Tweede Kamer, maar probeerde daarmee vooral het huidige populisme een plaats te geven. Zo’n breuk als in 2002 heeft een bepaalde functie in het politieke bedrijf. Maar laten we niet denken dat daarna niets meer is zoals het ooit was, alsof zo’n grote breuk uniek is. In de jaren zestig dacht iedereen ook ongekende veranderingen mee te maken. En in beide tijden wilde bijna niemand de democratie afschaffen.”

Herman Tjeenk Willink zei als informateur dat een kabinet het vertrouwen in de politiek moet terugbrengen. Overdreef hij?

„Nou, hij verwart het vertrouwen in de politiek met het vertrouwen in de klassieke middenpartijen. Dat laatste is inderdaad tanende, dat ziet iedereen, dat liet de verkiezingsuitslag ook zien. Maar dat betekent niet dat het vertrouwen in de politiek verdwijnt. Tegelijk met de onvrede van de flanken zie je nu bijvoorbeeld hoe politici van bijvoorbeeld D66 en GroenLinks juist laten zien hoe trots ze zijn op het parlement. Dat zie je nadrukkelijk bij iemand als Femke Halsema. Dat is winst. Op dat punt is het ook helemaal niet zo duidelijk dat Wilders afbreuk doet aan de rol van het parlement. Er wordt wel geklaagd over omgangsvormen en daar zit misschien wat in, maar tegelijk is duidelijk: die Kamer is het belangrijkste nationale forum. Iedere avond op tv. En iedereen in Nederland kent de fractieleiders en vindt ook iets van ze.

„De interesse in de Kamer is misschien wat oppervlakkig, gericht op celebrities, maar de interesse is er. Laten mensen ook niet beweren dat deze tijden apolitiek zijn, al is die interesse anders dan in de jaren zestig en zeventig. In de jaren zestig werd de Tweede Kamer volgens mij veel minder belangrijk gevonden dan nu, al kan ik daar nog niet helemaal de vinger achter krijgen. Bij democratisering ging het om de universiteiten en bedrijven. Om de maatschappij, niet allereerst om de politiek. In de publieke opinie is dat nu volstrekt anders.”

Henk te Velde: Van regentenmentaliteit tot populisme. Bert Bakker, 318 blz. € 24,95.