Tijd om wakker te worden

In ‘Io sono l’amore’ voltrekken zich familievetes, zakelijke drama’s en de neergang van een illuster geslacht. Maar uiteindelijk draait de film om één vrouw, Tilda Swinton, de verlegen moeder en echtgenote die haar vrijheid opeist.

De lange tafel is gedekt zoals chique mensen dat voor elkaar krijgen. Smaakvol. Zilver damast kristal. Bloemstukjes. Het huispersoneel fladdert rond. In de keuken zenuwt de kokkin, in de vestibule helpt de huishoudster de stramme pater familias uit zijn mantel. Hij laat zich omhelzen door zijn jongvolwassen kleindochter, begroet de gastheer, zijn oudste zoon. Hij neemt plaats aan het hoofd van die lange tafel. De anderen, een stuk of twintig, zoeken hun stoel na een steelse blik op de tafelschikking.

O ja. Er staat een kerstboom. In films voorspelt een kerstboom heibel. Deze reikt tot aan het plafond.

Binnen zijn de verhoudingen bevroren, buiten ligt er sneeuw op Milaan. De sneeuw maakt de indrukwekkende gebouwen nog mooier. Achter het venster van het palazzo van de familie beweegt iemand. Het zou een vrouw kunnen zijn.

Buiten maakt het verkeer de sneeuw groezelig. Binnen schuiven de familieverhoudingen.

Io sono l’amore begint als een familiefilm. De oudste zoon is van middelbare leeftijd en klaar om de fakkel van het familiebedrijf over te dragen, op aanwijzing van zijn oude dominante vader.

Deze middelbare zoon heet Tancredi en dat kan in een Italiaanse film over een machtige familie geen toeval zijn. De mooiste, aantrekkelijkste, wildste, verliefdste rijkeluiszoon uit de Italiaanse filmgeschiedenis heette namelijk ook Tancredi. Hij wervelde in 1963 door Il gattopardo (‘De tijgerkat’, 1958) van Luchino Visconti – grootmeester van de verkruimelende adellijke families. (En hij werd daar gespeeld door Alain Delon, Frankrijks mooiste armeluiszoon, maar dat terzijde).

Il gattopardo eindigt met de aanstaande verbintenis van de jonge Tancredi, stamhouder van zijn geslacht, met een buitenstaander, een vreemde in zijn milieu. Een beeldschoon burgerkind is deze Angelica. Ook Tancredi’s oom, de Prins van Salina, de oude Tijgerkat die zo verscheurend gestalte kreeg van Burt Lancaster, is in haar ban. Dat neemt niet weg dat hij beseft dat haar huwelijk met zijn erfgenaam het einde van eeuwen traditioneel familieleven betekent. Haar komst markeert ook het einde van een tijdperk – Garibaldi trekt op, het nieuwe Italië dient zich aan. Het zal de kleine rijkjes verenigen met hooguit een bijrol voor de oude adel.

De film ‘Io sono l’amore’, geschreven en geregisseerd door de Siciliaan Luca Guadagnino, bevat ook zo’n ‘Tancredi-huwelijk’. Niet het begin, maar het einde ervan. We maken mee hoe ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’ eruitziet en waar het toe zou kunnen leiden. Er zit anderhalve eeuw tussen maar de beide families rijmen op elkaar, op de manier die de Tijgerkat voorspelde met de beroemde woorden: „Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles anders worden”. (G. Tomasi di Lampedusa schreef ze, van hem is de roman De tijgerkat uit 1958).

In Io sono l’amore is de situatie verplaatst van het negentiende-eeuwse naar het moderne Italië, van de oude adel naar de rijke industriëlen, van het landelijke zuiden naar het commercieel-stedelijke noorden. Niet meer verlaat de familie zich op de feodale exploitatie van eigen grond en boeren. Haar bedrijf streeft naar mondialisering en winstmaximalisatie. De jongste generatie industriëlen heeft de statigheid van Visconti afgelegd. Cineast Guadagnino laat hen zich wentelen in de landerigheid waarmee zijn collega Michelangelo Antonioni de selfmade rijken definieerde: ze hebben niets te vrezen, dat maakt hen ongedurig.

Hun vader Tancredi is nog van de oude stempel. Zoals zijn naamgenoot loodste hij een jaar of 25 terug een vreemdelinge zijn familie binnen. Een immigrante uit Rusland, hij was stapel op haar en zij op hem. Op basis van die verliefdheid is hun huwelijk ingedikt tot intense genegenheid en een geslaagd familieleven. Ze werd de volmaakte echtgenote, moeder en gastvrouw. Alleen haar accent verraadt haar nog.

Er is geen aanwijsbare reden voor ongerustheid maar de filmer onthult haar drama in een oogwenk. Emma, zoals ze hier heet, draagt de designerkleding als een poema haar pels. Maar ze sluipt door de rijke vertrekken alsof ze in haar eigen palazzo op visite is.

Ze is klaar voor een ramp en die voltrekt zich in fasen en ongemeen heftig. De laatste shock grijpt haar zo aan dat ze uitgeput in slaap stort. Ze ontwaakt en trekt haar conclusies: dit rijke leven was een droom. Tijd om wakker te worden. Ze pelt alle luxe af en neemt de benen, in het polyester trainingspak waarin ze ooit is gearriveerd. Geen verliezer, maar een vrouw die zich weer verlaat op de intuïtie en op de overlevingsdrang waar haar herkomst haar mee zegende.

Emma krijgt gestalte van de Britse actrice Tilda Swinton, die haar speelt of de duivel haar in de ogen kijkt. Gejaagd, buiten adem, levensdriftig zet ze Emma neer. Ze is in rationaliteit geseald en zal zich naar buiten moeten scheuren. Tenzij ze besluit te stikken. De eerste scheur trekt een onverwachte boodschapper, degene van wie ze het meeste houdt. Haar jongste zoon.

Met losse stukjes en brokjes, via kleine gebaren, blikken en flarden dialoog, stelt de film vast dat Emma zich haar jongste zoon heeft toegeëigend. Dit kind leerde ze Russisch, met hem deelde ze haar jeugdherinneringen. In hem zaaide ze onverschrokkenheid. Hem vormde ze tot haar houvast in het vreemde land. Als een sensitieve Rus bespeurt de zoon de plotselinge roekeloosheid waarmee zijn verlegen moeder bezig is haar vrijheid op te eisen. Maar haar jongetje bestaat niet meer, zijn reactie is van de volwassen Italiaan die hij ook is. Het Italiaanse eergevoel plus de Russische ziel vergiftigen de zoon, ze zetten kwaad bloed.

In ‘Io sono l’amore’ voltrekken zich familievetes, zakelijke drama’s en de neergang van een illuster geslacht. Een moeder herkent zichzelf te laat in haar vrijgevochten dochter en ze verliest een zoon. Het is veel en het is krachtig, en regisseur Guadagnino etaleert alles met brede streken. Maar hij laat langzamerhand ook het ondergeschikte belang van dat alles blijken. Ineens luidt er een belletje, niet in het geluid maar met een beeld: een glamourshot van een garnalentaartje.

Emma luncht in het restaurant waar de beste vriend van haar zoon kok is. Ze krijgt een gerechtje geserveerd dat hij speciaal voor haar heeft gemaakt. Het lijkt wel een juweeltje, het glanst en het verleidt. Emma bekijkt het bakseltje, ze valt voor kleuren, glans, structuur. Het is mooi, ja, maar niet om te bewaren. Het wil gegeten worden. Ze neemt een hapje, wij volgen de glanzende vork die het tussen haar lippen brengt. Ze kauwt, ze proeft.

Regisseur Guadagnino probeert het onmogelijke, hij wil laten zien hoe iets smaakt. Dat gaat niet. Hoe een filmer het ook aanpakt, niemand proeft iets mee. Maar toch. Het lukt hem wel om genot te vangen. Niet dat ik iets proef, maar ik krijg de sensatie mee die dit hapje biedt aan juist deze kauwende mens.

Terwijl de camera zich concentreert op Swintons mond en Swintons gezicht, terwijl je beseft hoe zelden een filmer de gelegenheid neemt voor serieuze beelden van de proevende mens, stokt de tijd. We beseffen dat dit geen gerecht is maar een bericht, van de kok. En we zien dat het bericht aankomt. We zijn bij de kern van de film: hartstocht herkent hartstocht.

In de late lente, gekoesterd door zelfverzekerd zonlicht, vloeien de levens van de kok en Emma samen. Het is een natuurgebeuren als regen, wind, zon, grasjes. Eten en liefde vloeien mee.

Dat klinkt pathetischer dan het uitpakt want Luca Guadagnino weet waar hij het over heeft. Hij maakte een voorstudie, een documentaire over een kok in Liguria (Cuoco contadino, ‘Boerenkok’, 2004), die bezeten is van zijn vak. In die documentaire ontbreekt een vrouw als Emma. De kok is geen jonge man en hij is getrouwd en runt een eigen restaurant. Wel is er zijn stille passie. En de groene kustlijn. De slingerende weg door de Noord-Italiaanse Alpen. De magie van voedsel dat eerst groeit en dan in de keuken wordt betoverd. De stap naar de liefde is klein en die zette Guadagnino met zijn speelfilm.

Emma komt thuis in Milaan uit de Ligurische campagna. Ze straalt. Ze rent naar de wc, plast als een wilde, geniet in de spiegel van haar eigen verhitte gezicht. Dit is wat ze kwijt was, zo kan ze zichzelf terug veroveren. Ze doet haar liefde over met de kok van de leeftijd die haar man had toen ze elkaar leerden kennen. Haar lichaam is niet jong, dat verhult de film niet. Maar hij begeert haar en zij hem, hun leeftijdsverschil is onbelangrijk. Ze wordt weer wie ze was, een gelukkige vrouw op zijn Russisch, dit keer versmeltend met een man die dat accepteert.

Io sono l’amore. ‘Ik ben de liefde’. Door die titel is dit de film van Emma die Tancredi betoverde. In die titel resoneert ook de net zo verliefde Angelica uit Il Gattopardo.

Ik ben de liefde – het is de drijfveer van deze vrouwen, daar hebben ze nooit een geheim van gemaakt.

Ik ben de liefde. Daarom wilde je mij, met verachting voor conventies, met lak aan je familie. Ik ben de liefde, en dat wist je. Als jij me op die route niet volgt, pak ik mijn biezen en trek ik verder.