Seneca en Nero, de filosoof en de sluipmoordenaar

Anton van Hooff: Nero & Seneca. De despoot en de denker.Ambo, 264 blz. € 24,95 (geb.)

‘Een tragisch duo’. ‘De zonnevorst en zijn souffleur’. ‘De despoot en de denker’. In zijn vlotte monografie haalt classicus Anton van Hooff nogal wat retorisch gereedschap uit de kist om de verhouding te schetsen tussen de Romeinse keizer Nero en de in Cordoba geboren filosoof Lucius Annaeus Seneca. Een kwestie van vorm en inhoud die één zijn, aangezien Seneca gold als de begaafdste retoricus van zijn tijd (ca 4 vC - 65 nC) en Nero, die regeerde van 54-68, als een van zijn veelbelovendste leerlingen. Dat laatste niet voor lang, want de zesde caesar van Rome ontpopte zich na zijn troonsbestijging op 17-jarige leeftijd bliksemsnel tot hooligan, perverseling, broedermoordenaar, kunstbeunhaas, tiran, moederminnaar/-moordenaar, schatkistleger en rigoureus stadsvernieuwer. Drie jaar nadat hij zijn leermeester en adviseur tot zelfmoord verplicht had, joeg hij zo ongeveer al zijn legioenen tegen zich in het harnas, ontvluchtte hij als een dief in de nacht zijn paleis en liet hij zich door een slaaf aan een oneervolle dood helpen.

Heel on-Romeins en haaks op de moed waarmee Seneca de dood tegemoet trad: filosoferend terwijl zijn aders werden geopend, geheel in lijn met zijn stoïcijnse beginselen. Het is maar een van de vele tegenstellingen waarop Van Hooff zijn verhaal heeft gegrondvest: het moederskindje versus de zoon van een sterke vader, de hedonist versus de asceet, de jongen die alleen maar vijanden maakte versus de oude man die steeds meer vrienden kreeg. En dat zijn dan alleen nog maar de verschillen tussen Nero en Seneca. Ook Seneca was een vat vol tegenstrijdigheden: hij keerde zich in zijn geschriften tegen tirannie, maar overlaadde Nero met vleierijen, hij verketterde luxe maar was stinkend rijk, hij predikte consequentie maar waaide met alle winden mee.

Met het droevige einde van beiden als spectaculair begin beschrijft Van Hooff de levens van zijn hoofdrolspelers min of meer chronologisch. In de stukken over Nero besteedt hij ruim aandacht aan de politieke verhoudingen in Rome, in die over Seneca weidt hij uit over diens filosofische en literaire werken. Voor Seneca’s invloedrijke toneel en moralistische dialogen heeft Van Hooff verfrissend weinig respect; zijn voorkeur ligt bij de filosofische Brieven aan Lucilius. Daarnaast is hij vooral geïnteresseerd in Seneca’s onmogelijke positie: de vuile handen die hij moest maken om überhaupt te overleven en de gouden kooi waarin hij in de laatste jaren van zijn leven door Nero geplaatst was. Wij kunnen daar op neer kijken, maar, zo onderstreept Van Hooff, ‘tijdgenoten namen het verschil tussen leven en leer laconiek op’.