Rintje Kamperen

Rintje belt met mama’s telefoon naar het huis van Tobias. ‘Kom je weer een keer in mijn tent logeren?’ vraagt hij. ‘Ik zet hem op in de tuin!’

‘Leuk!’ zegt Tobias. ‘Ik ga meteen mijn rugzak inpakken!’

Rintje belt ook naar Henriette.

‘We slapen vannacht bij mij in de tuin’, zegt Rintje. ‘Kom je ook logeren? En neem je slaapzak mee!’

Als Tobias en Henriette even later bepakt en bezakt in de tuin staan gaan ze eerst de tent opzetten. ‘Jullie moeten wel helpen hoor!’ zegt Rintje.

Hij kruipt met de tentstokken achter in de tent en steekt de stok door de punt van de tent. ‘Goed vasthouden!’ gilt Rintje vanuit de tent. Maar Tobias laat het tentdoek uit zijn poten glippen waardoor de tent in elkaar stort. Het hele tentdoek ligt slap op de grond alleen in het midden zit een grote bobbel. Dat is Rintje. De bobbel beweegt druk van voren naar achter.

‘Ik kan de uitgang niet meer vinden!’ gilt Rintje. Tobias en Henriette moeten heel hard lachen. ‘Je lijkt wel een mol die een tunnel graaft door de tuin!’

Als Rintje even later de uitgang gevonden heeft proberen ze de tent weer op te zetten en nu lukt het. De tent staat.

Henriette en Tobias pakken hun rugzak uit en leggen hun slaapzakken neer.

‘We gaan ook koken’, zegt Rintje. ‘Van mama krijg ik een pan met knakworsten die we op echt vuur mogen opwarmen!’

Even later steekt mama een klein gasstelletje aan waar een pan op kan staan. ‘Jullie mogen om de beurt roeren!’ zegt ze. ‘Ik blijf er wel een beetje bij voor het vuur hoor!’

‘Puh’, zegt Rintje. ‘We kunnen het heus wel zelf hoor!’ Als de knakworsten klaar zijn, verdelen ze de worstjes onder elkaar. ‘Nu is het al bijna tijd om jullie slaapzakken in te gaan!’ zegt mama.

‘Eerst nog even tikkertje in de tuin!’ zegt Rintje. ‘Nou vooruit dan maar!’ zegt mama.

Als Rintje, Tobias en Henriette ieder een paar keer tikker geweest zijn kruipen ze in hun slaapzak. Het begint al donker te worden. ‘Ik vind het best eng!’ zegt Henriette.

‘Naast me staat de zaklantaarn hoor’, zegt Rintje. ‘Je hoeft niet bang te zijn.’

Als ze bijna in slaap vallen gaat Tobias opeens rechtop in zijn slaapzak zitten.

‘Hoor je dat tikken?’ vraagt hij. ‘Ja’, zegt Henriette. ‘Het tikt op de tent.’ Nu zit Rintje ook rechtop. Het getik wordt steeds harder. ‘Ik snap het al!’ zegt Rintje als hij zijn kop buiten de tent heeft gestoken. ‘Het regent heel hard!’

‘Nu gaat de tent ook een beetje wiebelen’, zegt Henriete. ‘Dat is de wind’, zegt Rintje ‘ Het gaat ook hard waaien!’

‘Ik heb het en beetje koud’, zegt Tobias. ‘Ik ook’, zegt Henriete. ‘Ik ook’, zegt Rintje.

‘Waarom komen jullie niet bij mij in de slaapzak, dan kunnen we lekker tegen elkaar aan liggen!’

‘Dat is een stuk warmer’, zegt Tobias als ze alledrie in Rintjes slaapzak gekropen zijn.

‘En een stuk gezelliger!’ zegt Henriette.

En bij het geluid van de regen en wind vallen ze alledrie diep in slaap.