Prikkels - de hoekstenen van het leven

De overeenkomst tussen sumo-worstelaars en schoolmeesters was maar een van de prangende kwesties die behandeld werden in de bestseller ‘Freakonomics’.

Het boek Freakonomics was in Nederland een slow starter. Bij verschijning in 2005 werd het boek over economie in de ruimste zin van het woord lang niet in alle dagbladen besproken. Maar daarna dook het steeds op in kranteartikelen en columns als een origineel, tegendraads boek over economie. Zo komt het dat ook in 2010 Freakonomics in grote Nederlandse boekhandels nog in stapels ligt, broederlijk naast het vervolg SuperFreakonomics.

In de Verenigde Staten, het land van herkomst van beide auteurs, de econoom Steven D. Levitt en de journalist Stephen J. Dubner, ging het anders. Daar haalde Freakonomics al in 2006 de tweede plaats van de non-fictiebestsellerlijst van The New York Times, de krant waar de twee auteurs ook een column kregen.

Het succes was gedeeltelijk te danken aan internet. Levitt en Dubner zetten een Freakonomics-site op en de uitgever stuurde het boek naar een select gezelschap bloggers. Of die inderdaad veel hebben bijgedragen aan de verkoop is niet bekend, maar er zijn nu wereldwijd wel vier miljoen exemplaren van Freakonomics verkocht. Wat zeker ook heeft bijgedragen aan het succes van Freakonomics is de titel. Die klinkt net zo goed als bijvoorbeeld Frank Zappa’s album Freak Out! Freakonomics werd al gauw een aanduiding voor economische en sociale prikkels die onbedoelde gevolgen hebben. Volgens Levitt en Dubner gaat het in de economie niet zozeer om klassieke nutsmaximalisatie (zo groot mogelijk nut tegen zo min mogelijk kosten en moeite), maar om prikkels. ‘Prikkels zijn de hoekstenen van het moderne leven’, schrijven ze in Freakonomics. ‘En inzicht in die prikkels [...] is de sleutel tot vrijwel elk raadsel, van geweldsmisdrijven tot smokkelen met sportuitslagen tot online dating.’

Levitt en Dubner presenteren dit als een nieuwe benadering. Dat is overdreven. De notie dat mensen reageren op prikkels bestaat al lang in de sociale wetenschappen. Dat dit blijkbaar nog niet tot alle economen is doorgedrongen, komt doordat velen van hen door het veelvuldig gebruik van wiskunde zijn gaan denken dat de wetenschap die zij beoefenen exact is.

Hoe dan ook, veel belangrijker voor Freakonomics is het tweede punt van wat Levitt en Dubner ‘hun kijk op de wereld’ noemen: ‘de conventionele wijsheid heeft vaak ongelijk’. De wereld kent een groot aantal conventional wisdoms, verklaringen voor verschijnselen en ontwikkelingen waarvan iedereen aanneemt dat ze kloppen. In Freakonomics willen de auteurs een aantal hiervan onderuithalen. Een tegendraads econoom ontdekt de verborgen kant van bijna alles, luidt de ondertitel van het boek, die nog wordt gevolgd door enkele lekker makende vragen zoals: wat hebben schoolmeesters en sumoworstelaars gemeen? En: waarom wonen drugsdealers nog steeds bij hun moeder?

Helemaal waar maken ze de ondertitel niet. ‘Bijna alles’ blijkt in Freakonomics niet zo gek veel. Ze behandelen slechts zeven onderwerpen, waaronder ‘Waarom is de Ku Klux Klan net een stel vastgoedmakelaars?’en ‘Hoe word je de volmaakte ouder?’ Bovendien zijn de antwoorden op hun vragen vaak teleurstellend. Zo blijkt een deel van de schoolmeesters met een deel van de Japanse sumoworstelaars gemeen te hebben dat ze frauderen. En kleine drugsdealers – niet de grote – wonen nog bij hun moeder omdat ze weinig verdienen. Hierbij kun je je ook nog afvragen of het bij verschillende van deze kwesties eigenlijk wel gaat om conventional wisdoms. Denkt iedereen bijvoorbeeld nu echt dat schoolmeesters en sumoworstelaars allemaal eerzame burgers zijn die nooit frauderen?

Ironisch

Ieder hoofdstuk wordt voorafgegaan door een korte verhandeling over hoe Steven D. Levitt – de econoom uit Chicago is de grote genius van Freakonomics – op zijn onderwerp kwam. Het is te hopen dat die ironisch zijn bedoeld, want ze zijn stuk voor stuk gevallen van onbeschaamde zelfverheerlijking. ‘Levitt wordt als een halfgod beschouwd, als een van de creatiefste geesten in de economische wereld, misschien wel de hele sociale wetenschap’ zo citeren ze een Amerikaanse collega-econoom.

Het hoofdstuk van Freakonomics dat het meeste opzien baarde en het vaakst door Nederlandse columnisten is aangehaald, gaat over de plotselinge daling van de criminaliteit in de VS in de jaren negentig. Die werd niet veroorzaakt door de toegenomen welvaart of meer blauw op straat, maar door de legalisering van de abortus in de Verenigde Staten in 1973, beweren Levitt en Dubner. Ongewenste kinderen van jonge, ongetrouwde moeders die het ouderschap niet aankunnen, hebben grotere kans dat ze het slechte pad op gaan dan gewenste kinderen uit stabiele gezinnen. Aangezien er van de eersten dankzij de legalisering van abortus in 1973 veel minder ter wereld kwamen in de VS dan voordien, daalde de criminaliteit spectaculair in de jaren negentig.

Het eigenaardige van het opzienbarendste verhaal uit Freakonomics is dat het verband tussen abortus en criminaliteit geen ontdekking van Levitt en Dubner zelf is. Daar zijn ze dan weer wel eerlijk over, al is het wel een beetje tussen de regels door. Als ze schrijven over de heftige reacties die abortus nog altijd oproept in de VS, noemen ze de ervaringen van Anthony V. Bouza als voorbeeld. Deze ex-politiefunctionaris wilde in 1994 gouverneur van Minnesota worden, maar was kansloos omdat hij eerder een boek had geschreven waarin hij abortus ‘misschien wel het enige effectieve preventiemiddel tegen misdaad dat in dit land is aangewend sinds de jaren zestig’ noemde.

Kinderzitjes

Op het succes van Freakonomics volgde vier jaar later Superfreakonomics, dat volgens de auteurs zelf ‘nog beter’ is dan hun eerste boek. En inderdaad, Levitt en Dubner behandelen in hun tweede boek veel meer onderwerpen dan in hun eerste, variërend van de slechtste maand waarin een mens kan worden geboren tot de beste manier om terroristen te vangen en van de veiligheid van kinderzitjes tot koeien die voor veel meer broeikasgassen zouden zorgen dan auto’s. Vreemd genoeg ontbreekt in Superfreakonomics hét verschijnsel van het crisisjaar 2009 waarbij prikkels rampzalige onbedoelde gevolgen hadden: de bonussen voor bankiers die hen zouden hebben aangezet tot riskante investeringen en zo de ernstigste economische crisis sinds de jaren dertig veroorzaakten. Over deze ‘perverse prikkels’ zwijgen Levitt en Dubner.

Steven D. Levitt en Stephen J. Dubner: Freakonomics. Een tegendraadse econoom ontdekt de verborgen kant van bijna alles. Vertaling Rob Kuitenbrouwer, Olaf Brenninkmeijer en Auke van den Berg. De Bezige Bij, 300 blz. €12,50.Steven D. Levitt & Stephen J. Dubner: SuperFreakonomics. Vertaling Pon Ruiter en Mieke Tulp. De Bezige Bij, 288 blz. € 19,90