Opa Wen is hier

Al in de tijd van de keizers waren catastrofes in China politieke gebeurtenissen.

Peking gebruikt de ramp in Gansu om het aanzien van de partij te versterken.

Overstromingen, aardverschuivingen, een grote olieramp, explosies in chemische fabrieken. De zomer van 2010 in China wordt gekenmerkt door een reeks incidenten die al meer dan 2.500 dodelijke slachtoffers heeft gekost en voor minstens 5 miljard euro aan schade heeft veroorzaakt.

De gebeurtenissen – van natuurrampen tot de industriële vervuiling van de Gele Zee en de Songhua-rivier – staan niet op zichzelf. Volgens Ma Jun, directeur van het Pekingse instituut voor openbare en milieuzaken, vormt de ongebreidelde economische groei de gemeenschappelijke noemer. „Er is heel duidelijk een verband te leggen met de snelle economische ontwikkeling van China. De bescherming van het milieu en van de arbeiders in de fabrieken heeft een te lage prioriteit. Ik hoop dat deze rampzalige zomer zal leiden tot een heroverweging van het beleid”, zegt Ma Jun, wiens non-gouvernementele milieuorganisatie is goedgekeurd door het twee jaar oude Chinese ministerie van Milieu.

Voor hem, maar ook voor hoogleraar Fan Xiao, een befaamde geoloog, is het geen verrassing dat in de stad Zhouqu in de westelijke provincie Gansu mogelijk 1.700 doden (703 lichamen geborgen, 1.042 vermisten) zijn gevallen nadat door zware regenval geërodeerde berghellingen een modderstroom hadden gevormd die de stad vanuit onverwachte bergzijde in tweeën kliefde.

„Door de voortdurende ontwikkeling van dammen en van de landbouw was dit een disaster in the making”, aldus Fan Xiao in de Sichuanse hoofdstad Chengdu.

Ma Jun in Peking: „De ecologie van het rivierrijke westen en noordwesten van China is zeer fragiel geworden en we hebben ook de gevolgen van de grote aardbeving van 2008 nog steeds niet goed in beeld. Dat onderzoek naar de stabiliteit van de dammen en de berghellingen loopt nog.”

Hij wijst erop dat de autoriteiten in Peking wel milieu- en bouwregels hebben gemaakt voor het beschermen van gebieden als bij Zhouqu en andere hooggelegen gebieden.

„Maar voor de provinciale en regionale autoriteiten in Gansu en andere westelijke provincies zoals Sichuan en Qinghai heeft economische ontwikkeling absolute voorrang.

Catastrofes, al dan niet van menselijk hand, zijn van oudsher ook politieke gebeurtenissen in China. In keizerlijke tijden waren natuurrampen altijd een bewijs dat het hemelse mandaat van de keizers ten einde liep. Voor de Chinese Communistische Partij gelden andere regels.

In de 21ste eeuw worden rampen niet langer verzwegen, maar gebruikt om het aanzien van de partij te versterken. Via de staatsmedia verneemt China weinig over de relatie tussen economische ontwikkeling en rampen zoals bij Zhouqu. Daar staat tegenover dat er veel aandacht wordt besteed aan het reddingswerk van het Chinese volksleger, de politie, de brandweer en de lokale bevolking.

Rampen worden na de SARS-epidemie van 2003 niet meer verzwegen, maar door de overheid gebruikt om propaganda mee te bedrijven. Hoe succesvol dat kan zijn, ontdekten de autoriteiten na de aardbeving in 2008, toen het Chinese reddingswerk dat geleid werd vanuit Peking nationale en internationale lof oogstte.

De berichtgeving wordt opnieuw gedomineerd door beelden van dramatische reddingsacties, hardwerkende reddingsploegen, vissers die olie met hun netten uit zee halen en „opa Wen”. Dat is de koosnaam van de beminnelijk ogende Chinese premier Wen Jiabao. Hij heeft een razend drukke zomer als mediageniek speerpunt van de CCP-propaganda.

In wit overhemd en hoge laarzen is hij het meelevende, warme gezicht van de Chinese Communistische Partij. Hij is de verpersoonlijking van de CCP als „redder en herder” (Xinhua) in tijden van nood. De kil ogende president Hu Jintao is tot nu toe geheel op de achtergrond gebleven.

Volgens de Chinese schrijver Yu Jie klopt het beeld dat China via de staatsmedia en de wereld via de meertalige Chinese nieuwskanalen krijgt echter in het geheel niet. Yu’s boek China’s Best Actor: Wen Jiabao wordt deze week in Hongkong gepubliceerd. Als dat plan van hem en zijn uitgever doorgaat is dat een bijzonder moment. Kritische boeken in het Mandarijn van een Pekingse schrijver over een zittende leider zijn zeldzaam.

Yu Jie betoogt dat Wen Jiabao voor de buitenwacht, inclusief bezoekende collega’s uit het buitenland, een aimabele, warme en open leider is, maar dat het hier gaat om „een zorgvuldig opgebouwd imago”.

Yu, die de internationale publiciteit zoekt omdat hij vreest te worden aangehouden, zegt in een telefonisch gesprek: „Wen is een heel slimme strateeg. Achter dat warme gezicht dat we nu iedere dag op televisie zien in de rampgebieden gaat een heel slimme acteur schuil die wordt ingezet om rampen te gebruiken om de eenheid van het land te versterken.”

Volgens Yu kijken Chinezen daar steeds meer doorheen.