Ook voor een levenseindekliniek geldt gewoon de wet

De NVVE denkt na over een levenseindekliniek. Maar de vereniging kan beter doen wat ze altijd doet: met hulpverleners in discussie, zegt Martin Buijsen.

De Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE) onderzoekt de haalbaarheid van een levenseindekliniek. Volgens deze organisatie is het hoog tijd dat er aandacht komt voor mensen met een serieuze doodswens die nu „permanent in de kou” staan. Personen met chronische psychiatrische klachten, dementerenden en mensen die vinden ‘klaar met het leven’ te zijn, krijgen te weinig hulp (euthanasie dus, te weten levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding), in weerwil van het feit dat in de meeste hospices dergelijke hulp wel mogelijk is. Zo vragen jaarlijks ruim 500 patiënten met chronische psychiatrische klachten om hulp bij zelfdoding, maar wordt zo’n verzoek in hooguit twee gevallen daadwerkelijk gehonoreerd. Ook mensen die de ontluistering van dementie niet willen ondergaan, vragen tevergeefs om euthanasie. Nederland kent 320.000 dementerenden, van wie er per jaar hooguit zes een euthanasieverzoek ingewilligd krijgen. Is zo’n levenseindekliniek een goed idee?

Volgens de euthanasiewet is het honoreren van verzoeken om euthanasie slechts te billijken bij lijden dat een erkende medische oorzaak heeft. Dat lijden moet ‘uitzichtloos en ondraaglijk’ zijn. Mensen die ‘klaar zijn met leven’ kunnen ernstig lijden, maar zullen bij de arts dus geen gehoor vinden. Mensen met chronische psychiatrische klachten en dementerenden en mensen die psychiatrisch lijden, kunnen wel binnen de eisen van de euthanasiewet vallen. Maar bij hen blijken artsen te aarzelen. Bij de eersten wordt vaak de uitzichtloosheid niet aanvaard. Uitzichtloosheid zegt alleen maar dat er medisch gezien geen uitzicht op verbetering meer is. Van terminaal lijden hoeft volgens de wet geen sprake te zijn. Bij dementerenden onderschrijven artsen vaak wel de uitzichtloosheid van het lijden maar niet onmiddellijk de ondraaglijkheid. De patiënt bij wie dementie is vastgesteld, maar die de symptomen nog niet vertoont, zal in de ogen van zijn arts niet ondraaglijk lijden. De patiënt voor wie het vooruitzicht van dementie ondraaglijk is, zal vergeefs om euthanasie verzoeken.

Duidelijk is dat zo’n levenseindekliniek zou kunnen worden bemenst door artsen die beter geïnformeerd zijn over de ruimte die de wet biedt, door hulpverleners die vooral op het punt van de ondraaglijkheid minder behoudend (in de ogen van de NVVE) zullen zijn. Maar hier is geen kliniek voor nodig. De NVVE moet hier vooral doen wat zij altijd al doet: met hulpverleners de discussie zoeken. Evenzeer is duidelijk dat een arts ook in die kliniek zijn vingers brandt indien hij een euthanasieverzoek inwilligt van iemand die aangeeft klaar te zijn met leven. De kliniek verandert daar niets aan. De wet staat het domweg niet toe. Met de keuze voor deze strategie laadt de organisatie bovendien de verdenking op zich ‘klaar met leven’-mensen in een bijzondere kliniek alsnog van medische argumenten te willen voorzien.

Het NVVE-initiatief lijkt te zijn ingegeven door ongeduld met de politiek. En dat is niet terecht. De keuze voor de dood na een voltooid geacht leven kan beschouwd worden als een privéaangelegenheid, maar ook dat is een politiek standpunt. Zo’n opvatting legitimeert het omzeilen van een democratisch tot stand gekomen wet niet, maar wel een door inhoudelijke argumenten geschraagd pleidooi voor wijziging van die wet. Dat vergt een politieke keuze en in een democratie hoort daaraan een degelijk publiek debat vooraf te gaan. Ook de misschien wel betere argumenten van de tegenstanders van zo’n wetswijziging verdienen het om op het politieke forum gehoord te worden.

Martin Buijsen is hoogleraar gezondheidsrecht, Erasmus Universiteit Rotterdam.