Nieuw, pragmatisch Libië houdt het mooi met het Westen

Gerbert van der Aa: Khaddafi’s woestijn. Nieuw Amsterdam, 192 blz.€ 17,95

Na het vliegtuigongeval in Tripoli in mei dit jaar kreeg Nederland op een directe wijze te maken met Libië. Interessant was dat het ministerie van Buitenlandse zaken, de Nederlandse onderzoeksmissies en enkele journalisten te spreken waren over de ontvangst en de samenwerking met de Libiërs.

Het nieuwe boek van Gerbert van der Aa, Khaddafi’s woestijn, is een aanrader voor diegene die meer wil weten over dit nieuwe Libië. Het is Van der Aa gelukt om in een helder geschreven reisverslag een interessante inkijk te bieden in de Libische samenleving, van de migranten die in Libië werken, de olie-industrie, buitenlands en binnenlandse beleid tot en met de Berber-minderheid.

De kracht van het boek zit hem in het feit dat Van der Aa het hele land doorkruist heeft en via gesprekken met gewone Libische burgers een representatief beeld van het land weet te schetsen. Deze gesprekken zijn soms verrassend openhartig. Zo vertelt Ahmed hem dat het door Khaddafi geschreven Groene boekje laat zien ‘dat sommige mensen het spoor volledig bijster raken in de woestijn’.

Wat na lezing blijft hangen, is het beeld van een land dat meer via informele structuren wordt bestuurd dan via centraal geleide instituten. Zo is er geen grondwet, worden regels op onvoorspelbare wijze gehanteerd, en, het meest bizarre, Khaddafi bekleedt officieel geen bestuurlijke functie. Hoe hij mensen kan aanstellen en ontslaan, beleid kan inzetten en buitenlands beleid voert, is een raadsel.

Een verklaring voor zijn macht ligt wellicht in de observatie van Van der Aa dat de stam van Khaddafi het goed doet. De leden bezetten belangrijke posten (vooral veiligheidsdiensten en leger) en zijn steenrijk. Het teruggrijpen op dit soort traditionele verbanden is een beproefde methode onder autoritaire regimes. Zo bezien is het slapen van Khaddafi in een tent van belangrijke symbolische waarde en dient het als een bevestiging van het idee dat tradities kunnen worden behouden of heruitgevonden in de moderne tijd. Door groeiende welvaart dankzij olie-inkomsten en door harde repressie van de oppositie weet het regime zich te handhaven.

Een andere verklaring voor Khaddafi’s stabiele regime is diens pragmatisme. Zo verbood hij voetbal, om later het verbod weer op te heffen, nadat er onvrede was onstaan over het feit dat Libië niet meedeed aan de WK-kwalificatie. Een van zijn zonen is nu actief in het voetbal.

Een grote ommezwaai maakte Khaddafi in zijn buitenlandse beleid. Ondanks antiwesterse tirades lijkt hij tot de conclusie gekomen dat goede economische en diplomatieke banden met het Westen in zijn belang zijn. Nadat hij slachtoffers van onder meer de Lockerbie-aanslag financieel compenseerde (zonder te erkennen verantwoordelijk te zijn voor de aanslagen) en zijn massavernietigingswapens opgaf, is hij back in the game.

Britse staatsman Lord Palmerston (1784-1865) sprak ooit de woorden: ‘We have no eternal allies and we have no perpetual enemies. Our interests are perpetual and eternal and those interests it is our duty to follow’. Dit adagium is van toepassing op zowel het Libische buitenlandse beleid als de houding van het Westen jegens Khaddafi. Westerse bedrijven kunnen na de opheffing van de VN-sancties weer meedingen naar contracten in de olie-industrie. En hoewel Van der Aa aantoont dat het regime in Libië nog onvoorspelbare trekken vertoont, is het realisme in het buitenlandse beleid sterker dan het meer revolutionaire beleid van vroeger. Dit pragmatisme was hoognodig, vooral omdat de olie-industrie in Libië zwaar te lijden had onder de sancties. Nu de olie-industrie weer beter draait, concludeert Van der Aa helaas terecht dat dit pragmatisme minder geldt voor het binnenlandse beleid, waar ‘de kans op een grondige binnenlandse koerswijziging onder Khaddafi klein is.’