Idi Amin in een zwembroek

Het Afrikaanse continent is lang bekeken vanuit het gezichtspunt van de kolonisator. De expositie Een bruikbare droom, over 50 jaar Afrikaanse fotografie, onderzoekt de bevrijdende werking van de camera.

In België wordt dit jaar veel aandacht besteed aan het eigen koloniale verleden. Directe aanleiding is de viering van de vijftigste verjaardag van de onafhankelijkheid van zeventien Afrikaanse landen waaronder Congo, tot 1960 een kolonie van België. Magnum-fotograaf Carl De Keyzer exposeerde met de dubbeltentoonstelling Congo (belge) en Congo belge en images in Fotomuseum Antwerpen (nu te zien bij Galerie Noorderlicht in Groningen) en schrijver David Van Reybrouck publiceerde onlangs Congo, een vuistdik geschiedenisboek waarin hij de stichting van de Vrijstaat door de Belgische koning Leopold II en de daaropvolgende ontwikkelingen kritisch onder de loep neemt.

In Brussel is er nu een fototentoonstelling, getiteld Een bruikbare droom, 50 jaar Afrikaanse fotografie, die zich eveneens op het Afrikaanse verleden richt. Net als bij De Keyzer levert ook deze expositie op een subtiele manier kritiek op het koloniale verleden. De kolonisering, schrijft samensteller Simon Njami in de catalogus, heeft de Afrikanen tot vreemdelingen van zichzelf gemaakt. Ze waren onderworpen aan de blik van de kolonisator die hen zag als ‘anders’ en ‘exotisch’ en ze moesten zich van deze gespletenheid bevrijden. De fotografie werkte daarbij emanciperend en stimuleerde mensen om, letterlijk, een beeld van zichzelf te creëren en zichzelf te definiëren. Njami betoogt dat met name de portretten en foto’s van dagelijkse gebeurtenissen werken als een spiegel, wat mensen helpt om met nieuwe, eigen ogen naar zichzelf te kijken en het opgelegde beeld van zichzelf te doorbreken.

De foto’s die hij selecteerde zijn heel divers. Werk van amateurs en beroepsfotografen hangt door elkaar heen. De tentoonstelling doet de nabijheid van het dagelijks leven voelen, hoe mensen leven in de stad, een avondje uitgaan, een bruiloft vieren, poseren voor de fotograaf. Het is niet alleen feest, we zien ook de gevolgen van armoede en burgeroorlog, maar op een persoonlijke, menselijke manier. Het is een meeslepende tentoonstelling, al kijkend krijgen de levens van deze mensen voor de beschouwer betekenis.

Neem de portretten van Cornélius Yao Augustt Azaglo (Togo, 1924-2000). Vanaf 1955 reisde Azaglo rond met een grootbeeldcamera en fotografeerde hij mensen op de markt. De foto’s ontwikkelde hij direct in een mobiele donkere kamer. Na de onafhankelijkheid van Ivoorkust in 1960 portretteerde Azaglo de plattelandsbevolking voor een volkstelling. Hij maakte tienduizenden portretten in een geïmproviseerde studio met een gordijn als achtergrond. De serie Sur Place toont een aantal van deze portretten. Steeds op borsthoogte voor het kreukelige gordijn. In driekwart profiel van links, het lichaam iets gedraaid, je hoort Azaglo aanwijzingen geven. Een tandeloze oude vrouw met op beide wangen drie grote, symmetrische littekens, een mooie jonge vrouw met een grote witte kraal als oorbel, een oude man in een smetteloos wit gewaad – de herhaling van pose en compositie geeft aan de portretten een dwingende aanwezigheid.

Heel recent zijn de portretten van Patrick Wokmeni (Kameroen, 1985). Wokmeni maakte de serie Les Belles de New Bell, van jongeren die thuis zijn omdat de scholen in New Bell na rellen gesloten zijn. Ze vervelen zich, hangen slapend over een tafel, schoolmeisjes prostitueren zich. Wokmeni was een van van deze jongeren. Hij leerde zichzelf fotograferen en fotografeert sindsdien zijn omgeving, als een vorm van therapie. Deze donkere foto’s hebben de rauwe directheid van het werk van de beroemde Amerikaanse fotografe Nan Goldin.

Hoewel een overzichtstentoonstelling van vijftig jaar Afrikaanse fotografie een onmogelijke taak lijkt, is Njami er toch in geslaagd er een zinvol geheel van te maken. De tentoonstelling is ingedeeld in hoofdstukken die gaan over de geschiedenis van de Afrikaanse dekolonisatie vanaf 1960. Het eerste thema, ‘Before Dawn’, is grotendeels gewijd aan het tijdschrift Drum, A Magazine of Africa for Africa. Drum, dat aanvankelijk The African Drum heette, werd in 1951 opgericht door de blanke, Zuid-Afrikaanse hoofdredacteur Jim Bailey. Het groeide snel uit tot het grootste tijdschrift van Afrika. Het was het eerste tijdschrift met zwarte redacteuren en het weerspiegelde het ontstaan van de zwarte identiteit in de steden. Drum berichtte onder andere over de gewelddadige gevolgen van de apartheid en publiceerde foto’s van het bloedbad van Sharpeville in 1960.

De covers – met DRUM in witte letters op rood – zijn prachtig: de ene keer met een groot portret van Steve Biko, activist tegen apartheid, de andere prijken er vier Drumredacteuren op die een zwarte vrouw de maten nemen voor een schoonheidswedstrijd.

Het tweede hoofdstuk, ‘A Useful Dream’, gaat over de eerste tien jaar na de dekolonisatie, toen de droom van vrijheid en gelijkheid werkelijkheid leek te worden. In de nasleep van het koloniale tijdperk kopieerden veel Afrikanen het gedrag van de heersende blanke klasse. Malick Sidibé (Mali, 1936) fotografeerde jongeren in Bamako, de hoofdstad van Mali. Ze ontdekten rock-’n-roll en dansten de twist, in strakke heupbroeken en laag uitgesneden jurken met wijde rokken. Sidibé, die als een van de eersten een ander, meer genuanceerd beeld van Afrika gaf, kreeg internationale bekendheid nadat zijn werk in 1994 op de eerste Biënnale van Bamako werd ontdekt.

Ook bij andere fotografen is te zien hoe jongeren in de grote steden de westerse mode volgden. Een hoogtepunt zijn de zelfportretten van Samuel Fosso (1962). Fosso groeide op in Nigeria maar vluchtte op tienjarige leeftijd, tijdens de oorlog met Biafra, naar Bangui, in de Republiek van Centraal Afrika. Daar werkte hij als assistent van een fotograaf. ’s Avonds maakte hij zelfportretten die hij naar zijn grootmoeder opstuurde om haar te laten weten dat hij nog in leven was.

Fosso’s zelfportretten werden allengs uitbundiger, hij poseerde in allerlei kostuums en voor verschillende decors. In een broek met hoge taille en extreem wijde pijpen en een strak wit overhemd, waarbij Fosso de fotolampen mee fotografeerde zodat het lijkt alsof hij op een toneel staat.

Een stuk politieker zijn de beelden van Mohamed Mo Amin (Nairobi, Kenia, 1943-1996), ingedeeld bij het hoofdstuk ‘Lost Illusions’. Deze fotograaf, die de bijnaam ‘Lucky Mo’ kreeg, overleefde verschillende auto-ongelukken, aanslagen op zijn leven en martelingen in gevangenschap. Vanaf het begin van de jaren zestig documenteerde hij belangrijke gebeurtenissen in Afrika en fotografeerde de wandaden van dictators met wie hij persoonlijk in contact wist te komen. Op de tentoonstelling zijn onder andere foto’s te zien van Idi Amin tijdens de persconferentie in 1971 waarop hij zichzelf uitriep tot president en thuis in zwembroek met een kopje thee.

Een bruikbare droom laat zich lezen als een beeldverhaal van de recente geschiedenis van Afrika. De ondertoon is triest, de onrechtvaardigheid van de sociale omstandigheden en de ongelijke strijd die deze mensen iedere dag voeren is navoelbaar. In de portretten is veel hulpeloosheid te zien. In hoeverre Afrikanen zich inderdaad bevrijd hebben van de discriminerende blik van de koloniale onderdrukker en zichzelf hebben bepaald, zoals Simon Njami stelt, is moeilijk te zeggen.

Misschien is het wishful thinking, maar in de foto’s van enkele van de jongste fotografen lijkt wel iets nieuws zichtbaar te worden: trots en een zelfbewustzijn van de eigen cultuur. Zij kopiëren niet langer het voorbeeld van de blanke upper class, zoals op de foto’s van de jaren zestig en zeventig van Sidibé. Zij hebben geen gladgestreken kroeshaar en tonen tattoos met Afrikaanse motieven.

Het is te zien op de vrolijkste foto’s van de expositie, die van Lolo Veleko (Johannesburg, 1977). Veleko fotografeert zwarte Zuid-Afrikaanse jongeren die met hun kleding uitdrukking geven aan de wisselwerking tussen westerse en Afrikaanse culturen. Een meisje in een kuitbroek in camouflagekleuren met knalrode kousen en hoge sandalen, een jongen in geruite broek en gebloemd overhemd en rode muts: zelfverzekerd kijken ze de camera in. Onafhankelijk, dat zijn ze.

Een bruikbare droom, 50 jaar Afrikaanse fotografie. T/m 20 sept in het Paleis voor Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23, Brussel. Di – zo 10-18 ur, do 10-21 uur. Inl: www.bozar.be