Hyperintelligent RAF-boegbeeld

Ulrike Meinhof, antifascistisch pacifist, radicaliseerde dermate dat ze de ‘gewapende strijd’ tegen Duitsland propageerde. Hoe kon dat gebeuren?

Jutta Ditfurth: Ulrike Meinhof. Vertaald door Geraldine Damstra. Omniboek, 408 blz. € 27,50

Waardoor ontwikkelt de ene politiek geëngageerde persoon zich uit onvrede met de maatschappelijke orde tot terrorist, terwijl een ander zich beperkt tot vreedzame protesten? Is dat een kwestie van intelligentie, temperament, opvoeding, invloeden van buiten? Die vraag is, veertig jaar nadat het boegbeeld van de Rote Armee Fraktion Ulrike Meinhof (1934-1976) haar eerste terroristische daad pleegde, nog steeds actueel. Als wij Jutta Ditfurth (1951), auteur van een nieuwe biografie van Meinhof moeten geloven, dan is het allemaal de schuld geweest van de pro-Amerikaanse politiek van de SPD van Helmut Schmidt en Willy Brandt.

Jutta Ditfurth laat haar biografie beginnen in mei 1970 als Ulrike Meinhof meedoet aan de gewelddadige bevrijding van Andreas Baader en zo naamgeefster wordt van de Baader-Meinhofgroep. Met steun van de DDR wijkt ze, samen met andere jonge terroristen uit naar Libanon waar ze van de PLO een militaire ‘stadsguerrilla’-training krijgt. Tussen 1970 en 1972 nam de als antifascistische pacifist begonnen Meinhof deel aan aanslagen waarbij vier mensen omkwamen en vijftig gewonden vielen. In de zomer van 1972 werd ze gearresteerd. In 1976 pleegde zij volgens de autoriteiten in de Stammheim- gevangenis te Stuttgart zelfmoord.

Ditfurths biografie is een zwak boek, omdat het een apologie is. Het is ook slecht geschreven en abominabel vertaald. Ditfurth probeert de lezer begrip bij te brengen voor de gedragingen van haar heldin. Inleving in de gedachtenwereld van de gebiografeerde is nodig, maar het zoeken naar verklaringen leidt tot dwaalsporen zodra er sprake is van overidentificatie.

Hoe kon het gebeuren dat zo’n hyperintelligente vrouw zich liet verstrikken in de netten van allerhande – niet nader door Ditfurth onderzochte – geheime diensten, en haar eigen geweten uitschakelde?

Evenals in Alois Prinz’ uit 2003 stammende Meinhof-biografie Lieber wütend als traurig verklaart Ditfurth de radicalisering van de aanvankelijk christelijk-pacifistisch ingestelde Meinhof uit haar verbittering over de Duitse herbewapening, de steun van de SPD aan de atoombewapening en de noodwetten die bedoeld waren om de linkse oppositie het zwijgen op te leggen. Wat Meinhof en generatiegenoten het meest dwars zat, was het grote naoorlogse zwijgen over Auschwitz en de volgens hen mislukte denazificatie. Ditfurths belangrijkste toevoeging aan de geschiedenis van Ulrike Meinhof is het nazi-verleden van Ulrikes opvoeders. Of Meinhof, die aan het einde van WO II elf jaar oud was, wist dat haar halve familie, inclusief haar voogd en stiefmoeder Renate Riemeck, lid was geweest van de NSDAP blijft in het midden.

Riemeck blijkt een sleutelfiguur. Deze kunsthistorica had naar eigen zeggen een verzetsverleden, maar was een ex-nazi die gewerkt had voor SS-Obersturmbannführer Johann von Leers, die als hoogleraar het antisemitisme een wetenschappelijke basis probeerde te geven. Na de oorlog slaagde Riemeck erin haar verleden uit te wissen. Ze bracht het tot hoogleraar en fungeerde na de dood van Ulrikes moeder in 1949 als voogd van de zusjes Wienke en Ulrike Meinhof.

In het beeld dat Ditfurth schetst, gedroeg stiefmoeder Riemeck zich als een soort kampbeul. Vooral de getalenteerde Ulrike werd gedrild, haar prille liefdesleven aan banden gelegd. Riemeck maakte een einde aan haar relatie met een schoolvriendje en verbood de lesbische relatie tussen Ulrike en haar jeugdliefde Maria.

In hoeverre Riemeck ook Ulrikes politieke keuzes heeft beïnvloed, blijft onduidelijk. Ongetwijfeld was zij ervan op de hoogte dat haar stiefdochter zich als 22-jarige studente in 1956 aansloot bij de in de Bondsrepubliek verboden communistische partij KPD. Als redacteur en later hoofdredacteur van het invloedrijke tijdschrift konkret, in het geheim gefinancierd en geleid door de KPD, werd Meinhof in de jaren zestig het symbool van de ‘Deutsche Linke’. Ze trok beroemdheden als Simone de Beauvoir, Hans Magnus Enzensberger en Pablo Neruda aan om voor het blad te schrijven en ontmaskerde een aantal oorlogsmisdadigers.

In 1961 trouwde Meinhof met Klaus Röhl, eveneens lid van de KPD en hoofdredacteur van konkret. Röhl wordt door Ditfurth afgeschilderd als een seksistisch monster, die zijn vrouw voortdurend publiekelijk vernederde, maar intellectueel niet in haar schaduw kon staan. Waarom ze met deze charlatan trouwde en zich door hem liet bezwangeren, komen we niet te weten. Ook blijft onduidelijk waarom Meinhof, in 1962 bevallen van de tweeling Bettina en Regina, hem opvolgde als hoofdredacteur van konkret.

Zowel Ulrike en Klaus als Wienke Meinhof en haar man zetten zich actief in voor deze door de DDR gestuurde partij waarvan stiefmoeder Riemeck het gezicht werd. Hoe deze ex-nazi carrière kon maken in een vanuit de DDR opgezette anti-fascistische beweging, blijft onopgehelderd. Wel laat Ditfurth doorschemeren dat zowel Riemeck als Röhl Ulrike Meinhof voor hun, in de DDR aangestuurde, karretje hebben gespannen.

Uiteraard verklaart dat niet waarom Meinhof zo radicaliseerde dat zij eind jaren zestig de ‘gewapende strijd’ tegen de in haar ogen fascistische Bondsrepubliek ging propageren. Een mogelijke oorzaak van Ulrikes radicalisering is de hersenoperatie die zij kort na de geboorte van haar tweeling moest ondergaan. Er werd een goedaardige tumor uit haar hersens verwijderd. Ulrikes dochter Bettina Röhl publiceerde in 2006 een boek over haar moeder waarin zij ervan uitgaat dat deze ingreep voor een persoonlijkheidsverandering heeft gezorgd.

De vele raadsels rond Ulrike Meinhof weet Ditfurth niet op te lossen. Krankzinnigheid wegens persoonlijkheidsverandering plus manipulaties van geheime diensten: dat is per saldo de meest plausibele verklaring voor Meinhofs terrorisme. Zij heeft tot het einde toe geloofd in de rechtvaardiging daarvan en vanuit de gevangenis geprobeerd leiding te geven aan de RAF, een beweging die niets heeft opgeleverd en de verhoudingen in de Bondsrepubliek jarenlang heeft verziekt.

Maar was het zo onvermijdelijk als Ditfurth het voorstelt dat leden van de Duitse Linke afgleden naar geweld? Volgens de biografe, zelf mede-oprichtster van de Duitse Groenen, werden ten tijde van de Koude Oorlog linkse jongeren door de pro-Amerikaanse SPD in de armen van de KPD en het DDR-bewind gedreven. Maar waarom iemand als Joschka Fischer zich wel tot het marxisme, maar niet tot het terrorisme bekende, blijft onuitgesproken. Ditfurth, die bij de Grünen tot de ‘fundamentalisten’ werd gerekend en de partij verliet toen ‘realisten’ als Fischer de overhand kregen, heeft te weinig ideologische afstand tot haar onderwerp om zulke vragen te stellen, laat staan te beantwoorden.