Het liefst deed hij niets

Een roman en een biografie proberen nieuw licht te werpen op de renaissance-intellectueel Michel de Montaigne, wiens essays over morele kwesties nog steeds een voorbeeld zijn voor velen. Het best leer je hem kennen uit dat werk, opnieuw uitgegeven in de klassiekenserie Perpetua.

Michel de Montaigne: De essays. Vertaald door Hans van Pinxteren. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1474 blz. € 49,95

Sarah Bakewell: How to Live. A Life of Montaigne in One Question and Twenty Attempts at an Answer. Chatto & Windus, 387 blz. € 23,95

Jenny Diski: De dochter van Montaigne (Apology for the Woman Writing). Vert. uit het Engels door Inge Kok. Atlas, 304 blz. € 24,90

Montaigne is de man van wie elke westerse intellectueel beweert dat hij hem op zijn nachtkastje heeft liggen. De eerste moderne Europeaan, de eerste schrijver die zo vrijmoedig over zijn eigen gevoelens schreef, de pionier van de introspectie. Een auteur van wie menig schrijver heeft beweerd dat hij zichzelf las, van Ralph Waldo Emerson tot André Gide en Stefan Zweig. Maar welke editie ligt daar dan naast wekker en kunstgebit?

De fijnproever heeft ongetwijfeld de eerste druk van de Essais de Messire Michel Seigneur de Montaigne, twee dunne deeltjes uit 1580; armlastiger lezers bezitten een latere uitgave en de drukbezette liefhebber houdt het bij een klein thematisch deeltje, Montaigne over dieren of Montaigne over vriendschap. Want ook Montaigne is commercieel opgeknipt tot cadeauboekjes. En zal iemand voor het slapengaan een wetenschappelijke editie opslaan? En welke dan? De laatste Pléiade-editie van 2080 pagina’s? Of liever dan toch maar de nu opnieuw uitgegeven Nederlandse vertaling die er 1474 telt?

Michel Eyquem de Montaigne (1533-1592) – jurist, grootgrondbezitter en lid van de magistratuur van Bordeaux – begon vanaf 1571 met het opschrijven van invallen en ideeën. Op zichzelf was dat nog niet eens zo bijzonder. Ook andere Renaissance-intellectuelen legden verzamelingen aan van persoonlijke bespiegelingen naar aanleiding van concrete zaken, geïllustreerd en geadstrueerd met anekdotes en relevante citaten.

Het bijzondere was dat die van Montaigne zo persoonlijk waren, op het intieme af, en vooral dat hij die publiceerde. Dat was nieuw. Het succes volgde onmiddellijk. Voor nieuwe drukken bracht Montaigne verbeteringen aan en vermeerderde hij het aantal essays. Alles bij elkaar publiceerde hij er 107. De Essais zijn geen spontaan neergepende invallen, maar zorgvuldig geciseleerde opstellen over uiteenlopende onderwerpen, waarbij hij zijn invallen en opinies gewoontegetrouw aan citaten van klassieke auteurs koppelde. Daar en in zijn persoonlijke leven lag zijn referentiekader.

In Nederland drong Montaigne snel door. De eerste Nederlandse vertaling verscheen weliswaar pas in 1674, maar de elite las Frans en had hem al vroeg ontdekt. Tegenwoordig zijn twee goede vertalingen beschikbaar, die van Frank de Graaff uit 1993 (SUN) en die van Hans van Pinxteren uit 2004. De laatste – veel geprezen – is nu opnieuw uitgegeven met een nawoord van Afshin Ellian, die Montaignes verdraagzaamheid actualiseert.

Behalve in Nederland (en in Italië) was de populariteit van Montaigne groot in Engeland. Dat komt volgens Sarah Bakewell, de Britse schrijfster en specialiste op het gebied van vroege drukken, omdat de Engelsen zijn heldere stijl en zijn pragmatische levenshouding waardeerden, net als zijn voorkeur voor het detail boven abstracties. Het zal dan ook geen toeval zijn dat er twee nieuwe boeken over Montaigne verschenen in Engeland. Bakewell zelf schreef een biografie, terwijl de schrijfster Jenny Diski een roman publiceerde over Montaignes tijdgenoot en tekstbezorgster Marie de Gournay.

Het boek van Bakewell is informatief en goed leesbaar, maar wat geforceerd van constructie. Bakewell, die ‘creative writing’ doceert, heeft last van dat vak en wil iets te nadrukkelijk origineel zijn. In How to Live lopen drie niveaus door elkaar. Ten eerste is het boek een chronologische biografie. Bekwaam en niet overladen met historische uitweidingen, wat gezien de vele biografieën en de duizenden artikelen over Montaigne lof verdient. Maar tegelijk thematiseert ze elke fase in Montaignes leven en verklaart ze die aan de hand van zijn sceptische, relativerende houding. Hoe ga je om met een gezin, met oorlog, met politiek, met vrienden, met ziekte?

Montaigne was geïnteresseerd in morele kwesties, in wat mensen deden of juist niet deden in moeilijke situaties en hij beschrijft wat hijzelf in specifieke gevallen deed, of naliet. In de opzet van Bakewells boek wringt dat nogal eens. Het was effectiever geweest wanneer zij die levensopvatting impliciet in het boek had verweven. Te meer daar Bakewell er nog een derde thema doorheen vlecht: de receptie van de Essais.

Vervolg op pagina 2

Het leven en lezen van Montaigne

Montaigne is altijd veel gelezen en gewaardeerd, maar er kwam ook kritiek. Zijn scepsis, zijn gematigdheid, zijn terughoudendheid in politieke en kerkelijke zaken, zijn weigering om extreme standpunten in te nemen, of liever gezegd, om zijn oordeel op te schorten, dat alles heeft hem de grootst mogelijke bewondering opgeleverd. Zeker in tijden van absolute denkers, onverzoenlijke katholieken en protestanten, idealisten en systeembouwers, was dit een verademing, zo niet een troost.

Aan de andere kant is hem dat ook kwalijk genomen. In de 19de eeuw kwamen er brieven van Montaigne boven water waaruit bleek dat hij tijdens een pestepidemie niet terugkeerde naar Bordeaux om daar in te grijpen. Ook meed hij zijn landgoed hoewel zijn hulp en inzet daar nodig waren. Dat – en meer in het algemeen zijn zelfgekozen teruggetrokkenheid ten koste van burgerlijke verantwoordelijkheden – kwam hem te staan op beschuldigingen van plichtsverzuim en zelfs lafheid.

Het sterkst is Bakewell waar ze begrijpelijk maakt hoe Montaigne door zijn opvoeding en opleiding geworden is wie hij was. Zoon van een ontwikkelde landeigenaar werd hij al vroeg getraind in de klassieken. Tot zijn zesde sprak hij uitsluitend Latijn. De klassieke auteurs, met name Plutarchus en Seneca, en het stoïcijnse gedachtengoed werden er vakkundig ingestampt en bleven de basis van zijn levensvisie. Montaigne komt naar voren als een geestige, ontwikkelde man die niets liever deed dan converseren met even erudiete lieden, een man die een hekel had aan verplichtingen. Zijn openbare ambten, het onderhouden van zijn landgoed, dat deed hij allemaal met tegenzin; het eerste omdat de publieke plicht hem riep, het tweede om inkomsten te genereren. Maar het liefst deed hij niets en wilde hij met rust gelaten worden.

Aan de hand van die weinige, maar kenmerkende principes volgt Bakewell Montaigne op zijn levenspad. De vele personen uit zijn omgeving blijven wat schimmig. Zoals zijn vrouw. Het huwelijk zag hij als een praktische verbintenis. Een uitzondering maakt Bakewell voor een vriend uit zijn jonge jaren, de iets oudere, getalenteerde jurist Étienne de La Boétie, auteur van een invloedrijk vertoog tegen tirannen. De ‘onvoorwaardelijke, totale vriendschap’ met La Boétie, zoals Montaigne het zelf noemde, is levensbepalend geweest. Ze deelden alles en vooral hun passie voor klassieke auteurs. Na de dood van La Boétie in 1563 bleef Montaigne ontroostbaar achter; het gemis zou hem altijd begeleiden. Het heeft er alles van dat de Essais eigenlijk de neerslag zijn van de imaginaire gesprekken die Montaigne met zijn overleden vriend hield. Dat moet de verklaring zijn dat de lezer zich zo direct aangesproken voelt en dat zovelen hem beschouwen als hun levenslange vriend.

Een andere figuur die aan de orde komt is Marie de Gournay over wie Jenny Diski de roman Apology for the Woman Writing schreef. Bakewell behandelt deze Marie wat afstandelijke, voor Diski is zij de hoofdpersoon van vlees en bloed. Marie de Gournay was de dochter van een niet-onontwikkelde landeigenaar. Niets van wat een meisje van haar stand behoorde te zijn of te doen kon haar bekoren. Ze kon of wilde niet koken, naaien, borduren, dansen of zingen en al helemaal niet trouwen. Ze was geen schoonheid, ging hobbezakkerig gekleed en was hoekig van motoriek. Marie bezat maar één passie: lezen.

In 1580 werd ze als door de bliksem getroffen door twee dunne boekjes die een vriendelijke oom voor haar had meegebracht: de eerste druk van de Essais. Zij raakte hier volkomen door geobsedeerd en las de boekjes keer op keer. Eindelijk een zielsverwant. Ze droomde ervan Montaigne te ontmoeten. Maar die woonde ver weg, in de dimensies van die jaren in een compleet ander land. Zij in Picardië in het noorden, hij in het zuiden. Een ontmoeting zat er misschien niet in, brieven schrijven kon altijd. Dat deed ze, maar zonder effect. Tot ze hoorde dat Montaigne in Parijs verbleef en zij de mogelijkheid kreeg om ook naar Parijs te gaan. Weer stuurde ze een brief naar haar held. En toen vond het wonder plaats: de volgende dag stond Montaigne op de stoep.

Die ontmoeting was niet direct een succes. Marie zag geen geleerde met nobele trekken voor zich, maar een oud, vermoeid, kaal mannetje. En Montaigne staarde niet naar een verleidelijke groupie , maar naar een schonkige, onbeholpen, jonge vrouw. Het kwam min of meer goed, al bleef Montaigne zijn reserves behouden. Hij logeerde zelfs drie maanden op het landgoed van de familie Gournay.

Na Montaignes dood wijdde Marie haar leven aan nieuwe edities van de Essais. Deze edities bleven lang de standaardversie, tot in de 18de eeuw een door Montaigne geannoteerd exemplaar opdook en er een editie-oorlog uitbrak die nog altijd nasmeult.

Marie de Gournay vestigde zich in Parijs, samen met een huishoudster en een poes. In haar rommelappartement hield ze zich behalve met schrijven bezig met alchemistische praktijken. Ze probeerde respect te verwerven in de literaire kringen. Dat lukte zo nu en dan, maar net zo vaak werd ze het slachtoffer van practical jokes.

Diski beschrijft een vrouw die in haar hardnekkige pogingen om erkenning een leven leidde waarvan de tragiek haar zelf ontging. Ze was blind voor haar eigen gebrek aan literair talent. Het is moeilijk geen sympathie voor haar op te vatten of eigenlijk is het medelijden. Haar volhardendheid heeft haar toch roem opgeleverd. De laatste Franstalige wetenschappelijke editie van de essays, in de Pléiade-reeks, is de door haar geredigeerde versie uit 1595.

Diski’s boek gaat vooral over de goedbedoelde worstelingen van Marie in een wereld die veel cynischer is dan ze beseft. Diski concentreert zich daarbij op Maries gedachten en op haar omgang met haar familieleden, met Montaigne, met diens weduwe en later met de geleerde en adellijke wereld van Parijs, die haar in het beste geval als een curiositeit beschouwde.

De dochter van Montaigne is een wrang portret van een licht geschifte vrouw over wie historisch gezien niet zo heel veel bekend is. Maar nergens kreeg ik het gevoel dat het zich afspeelt in de 16de eeuw. Het historisch decor is flets. Het had evengoed allemaal kunnen gebeuren in 1680 of 1880, of zelfs, op een enkele koets na, in 1980. Daarnaast storen nogal wat anachronismen. Of Diski wel eens een oud boek in handen heeft, betwijfel ik. In Montaignes tijd werden boeken gedrukt op lompenpapier. Maar als we Diski mogen geloven, roken de oude boeken naar katoen of naar (hout)pulp, kraakten en knisperden de bladzijden en waren ze gedrukt op velijn (perkament). Allemaal onzin. Tennisballen kenden Montaigne en zijn tijdgenoten niet, evenmin als kruidenthee en grog. En dat een hysterische Marie sliep op een matras van wol en om de haverklap gekalmeerd moest worden met nieskruidtinctuur is onwaarschijnlijk. Zoals altijd het geval is met historische romans voegt ook dit boek niets anders toe dan mythes.

Marie de Gournay, over wie al drie romans bestaan, overleefde Michel de Montaigne 53 jaar. Diens einde was lang en lijdend. Jaren van jicht en nierstenen hadden hem gesloopt. Een keelontsteking deed de rest. Montaigne heeft dat volgens zijn eigen principes stoïcijns verdragen. Zijn vrouw, dochter, vrienden en huispersoneel waakten aan zijn bed. Hij gaf de geest na te zijn bediend van het laatste oliesel. Dat nog wel. Maar ook Montaigne had zijn nachtkastje. Ongetwijfeld lag daar Seneca op.