Een hellevaart voor de oren

Verdwijnt de stilte? Wat zijn daarvan de gevolgen? En wat kunnen we daar tegen doen? Twee Amerikanen zoeken rust, met wisselend resultaat.

Garret Keizer: The Unwanted Sound of Everything We Want. A Book about Noise. Public Affairs, 385 blz. € 23,-

George Prochnik: In Pursuit of Silence. Listening for Meaning in a World of Noise. Doubleday, 342 blz. € 23,35

De zomer is het lawaaiseizoen bij uitstek, vol ergernis voor wie moeite heeft met de aanwezigheid van andermans luidruchtig beleden feestvreugde of muziekkeus. Ieder jaar vraag je je hetzelfde af: waarom is de mensheid niet langer in staat te leven zonder permanente soundtrack? Waarom is het nodig anderen jouw particuliere levensstijl op te dringen, via pulserende koptelefoons, blèrende smartphones, beukende boomboxen in auto’s of je bootje en vult u verder zelf maar in?

Om niet knettergek en/of diepongelukkig te worden, is het zaak je dit vooral níét af te vragen en zo goed mogelijk over je ergernis heen te stappen.

Het lijkt erop dat de Amerikaanse essayist Garret Keizer deze kunst meester is: hij nam in elk geval genoeg afstand van zijn ergernis om een boek over lawaai te schrijven met de fraaie titel The Unwanted Sound of Everything We Want, waarvoor hij zelfs een bezoek bracht aan de grootste motorrally ter wereld in Sturgis, South Dakota – een waagstuk, een hellevaart voor de oren. Hij is de enige niet, want zijn New Yorkse collega George Prochnik publiceerde min of meer gelijktijdig In Pursuit of Silence. Ook Prochnik liet zich niet kennen en bezocht een competitie van mannen die wedijveren met de boomboxen in hun auto's. Hun vriendinnen doen daar ‘het haar-vlieg spel’. Als ze in de auto zitten wappert hun haar omhoog door de krankzinnige hoeveelheid decibellen.

Afstand nemen lukt Prochnik beter dan Keizer, blijkt al snel. Dat komt door hun houding. Waar Prochnik stilte uiteindelijk definieert als ‘een evenwicht van geluid en rust dat onze ontvankelijkheid vergroot’, daar hanteert Keizer de veel compromislozer definitie ‘ongewenst geluid’. En waar Prochnik dus zelfs middenin New York nog oases vindt (kerken, een parkje met een waterval dat de verkeersherrie overstemt en zo de illusie van rust schept), daar klinkt in Keizers analyse van wat lawaai eigenlijk precies is, tijdens zijn wereldgeschiedenis van herrie en tijdens zijn tour d’horizon van hedendaagse oorverdovendheid, culminerend in het moedeloos makende hoofdstuk ‘Loud America’ – zijn machteloze woede over al die pokkeherrie telkens door in zijn betoog. ‘Dat wil niet zeggen,’ schrijft hij bijvoorbeeld sarcastisch, ‘dat gewend raken aan een hard geluid onmogelijk is. Met net zoveel wilskracht als een stoïcijns filosoof en meer onthechting dan een boeddha, is het een eitje.’ Prochnik houdt het bij de Verenigde Staten, heeft een onderzoekende houding en meandert tussen stilte en lawaai. Het gaat hem in wezen om de ontvankelijkheid van de mens voor zijn omgeving, die verdwijnt bij teveel marteling van de oren.

Keizer begint ermee te constateren dat lawaai een stil probleem is: je gaat er niet dood aan, de krant schrijft er niet over, honger, armoede en klimaatverandering zijn stukken erger. Vervolgens doet hij een heel boek lang hartstochtelijk zijn best lawaai tot een gróót probleem te maken, door het te koppelen aan al die andere schrijnende onrechtvaardigheden. Denken over herrie helpt volgens Keizer verwante, belangrijkere problemen te doorzien, ‘die allemaal voortkomen uit wat we ten onrechte als zwak, klein, weerloos en nutteloos ervaren’. Volgt een potsierlijke slag in de lucht: als de mensen het verlies van hun gehoor al niets kan schelen, hoe kunnen ze dan geven om het uitsterven van kikkers in Brazilië?

Wel helder is Keizers vaststelling, aan het begin, dat lawaai een subjectieve en een objectieve kant heeft. De een zijn feest is de ander zijn herrie. Iemands lawaaibeleving is gekoppeld aan zijn stressgevoeligheid – 15 procent van de mensen schijnt extra geluidsgevoelig te zijn – maar ook aan sociaal-culturele zaken als vooroordelen, verwachtingspatronen en controle. Overleg en afspraken maken burengerucht bijvoorbeeld draaglijker en zorgen voor een afname van klachten, zelfs al neemt de herrie niet significant af.

Maar dat wil niet zeggen dat lawaai niet bestaat. Het menselijk lichaam is een goede maatstaf en dat loopt aantoonbare schade op bij te veel geluid. Langdurig blootstaan aan een geluidsniveau van boven de 85 decibel (een zeer drukke verkeersweg op 10 meter afstand) maakt je langzaam maar zeker doof.

Lawaai is een stressor, veel gebruikt in marteling – de eerste melding daarvan werd al gemaakt in de derde eeuw voor Christus. Het wekt cortisol en adrenaline op, stresshormonen die het lichaam onder spanning zetten, met een hoge bloeddruk en hartklachten tot gevolg. Het geluid van startende vliegtuigen jaagt dag in dag uit de bloeddruk omhoog bij omwonenden van vliegvelden, zelfs terwijl zij slapen. En dan zijn er nog snelwegen, wegwerkers en bouwplaatsen, het thrillcraft van jetski’s en motoren en quads, en natuurlijk de overal neurotisch tikkende koptelefoontjes die de moderne mens belagen.

Behalve irritant voor meeluisteraars zijn koptelefoontjes ook schadelijk voor de gebruikers ervan. Een op de acht kinderen in de VS heeft last van gehoorschade door muziek. Onderzoek van TNO laat zien dat in Nederland jaarlijks 22.000 jongeren gehoorschade oplopen. We leven, aldus Keizer, in de ‘Eeuw van Tinnitus’. Lawaai maken is nu een uiting van onze levensstijl, een territoriale uitbreiding van het geïndividualiseerde ego.

Net als al die andere ernstige kwesties als honger enzovoorts is de schade door geluid niet eerlijk verdeeld. Omdat stilte zo zeldzaam is, is het een vorm van rijkdom geworden. Het zijn de armen die wonen bij de vliegvelden en snelwegen. Het zijn armen van wie de huizen zo slecht gebouwd zijn dat ze de buren hun tanden zouden kunnen horen poetsen, als het daarvoor stil genoeg was. In sloppenwijken is er een enorme herrie, maar klachten zijn er niet omdat het welvaartsniveau daarvoor niet hoog genoeg is, én omdat iedereen hetzelfde soort herrie maakt, waardoor dit vaak niet als zodanig wordt ervaren. Terwijl één asociale motorrijder die door een slapende stad scheurt honderden mensen een stressverhogende adrenalinestoot toedient, zelfs als hij ze niet wekt.

Keizer is op zijn best als hij het concreet houdt. In twee interessante hoofdstukken vertelt hij de geschiedenis van herrie, vanaf de eerste geluidswet (van Caesar), via Seneca, de stoïcijnse filosoof die gék werd van het geluid uit de sportschool waar hij boven woonde, via de beierende kerkklok en de industrialisering tot de Harley Davidson en ander hedendaags vrijetijdsgeweld. Hij citeert veel Nederlandse geluidsonderzoekers – ‘we zijn met lawaai nu waar we dertig jaar geleden met luchtkwaliteit waren’, zegt een van hen – en hij beschrijft de vergeefse strijd van een Groningse tegen de herrie die de enorme windmolens bij haar huis vooral ’s nachts maken. Ze loopt op tegen een muur van onbegrip. Windmolens zijn duurzaam immers, en voor de goede zaak.

Lawaai is een machtswoord, stelt Keizer op verschillende plekken, maar het lukt hem niet dit helemaal goed te doordenken. Lawaaiige verzetsdemonstraties overziend, vooral die in de Derde Wereld, constateert hij dat sommige herriemakers (vooral berijders van jetski’s natuurlijk, al zegt hij dat er niet bij) zeggen ‘de wereld is van mij’, terwijl anderen – demonstranten onder terreurregimes– herrie maken omdat ze zeggen ‘het is óók mijn wereld’. Toch is het kennelijk niet mogelijk hier iets algemeens over te zeggen, want in het hoofdstuk ‘Loud America’ is de koppeling van het idee van vrijheid aan herrie, vooral rockmuziek, juist weer ‘een van de schijnheiligste dogma’s van mijn ouder wordende generatie’. Intussen gebruiken Amerikaanse soldaten Metallica om gevangenen mee te martelen. Wat zegt het, vraagt Keizer zich af, over een land als het zijn eigen populaire cultuur gebruikt als martelinstrument?

Het is hier dat Prochniks persoonlijker en onderzoekender boek de betere kaarten heeft: om de rol van stilte en herrie te verklaren gaat hij te rade bij de biologie. Dieren zweren in de regel bij stilte, die maakt dat je niet ontdekt wordt. Maar in gevechtssituaties, het afbakenen van je territorium of bij imponeren om indruk te maken op de andere sekse, kan het soms niet lawaaiig genoeg zijn.

De kloof tussen liefhebbers van stilte en die van lawaai zal wel nooit gedicht worden. Toch slaagt Prochnik erin vrienden te maken onder de boom-boxjongens en de sound designers die de winkels van oorverdovend akoestisch geweld voorzien. Hij weet zelfs een positieve draai aan zijn ergernis te geven door te erkennen dat de aanval op oprukkende herrie altijd gedoemd zal zijn te falen. Het wekt enkel weerstand en het lawaai zal steeds elders weer opduiken. Dus waarom niet het veel positievere promoten van stilte? Prochnik pleit voor meer parken, slimme bouwmaterialen die geluid absorberen en stiltezones binnen en buiten. Keizer schrijft dat iedereen daar recht op heeft.

Zowel Keizer als Prochnik gaan in op de oorverdovendheid van drammende anti-geluidsactivisten. Prochnik komt met de anekdote van Charles Darwin die schreef over een etentje met de Schotse historicus Thomas Carlyle die geobsedeerd was door geluid. Carlyle ‘bracht iedereen tot zwijgen doordat hij de hele avond lang oreerde over de voordelen van stilte.’ Geobsedeerde fanatiekelingen, constateert Prochnik, raken óók hun ontvankelijkheid kwijt. Keizer doet duidelijk zijn best objectief te blijven, maar dat lukt hem toch niet. Hij koppelt lawaai muurvast aan zijn eigen subjectieve morele kader. ‘We zouden er altijd voor moeten oppassen om makkelijke morele analogieën te maken tussen lawaai en het kwaad, rust en het goede’, schrijft hij. Waarna hij verder gaat over de rol van luidsprekers bij Hitlers propaganda.

George Prochnik laat zien hoezeer de mens slachtoffer is van zijn paradoxale verlangens, naar rust én naar lawaai. En ergens weet Keizer ook wel dat Prochnik gelijk heeft: ‘Je kunt lawaai niet uit de wereld halen, net zo min als je een ei uit een cake kunt halen’, schrijft hij. Uiteindelijk is het Keizer die zijn mede-geluidsgevoeligen het meeste houvast meegeeft, in de vorm van het motto: To be obsessed with quiet is never to be possessed by it.