Droom- werkelijkheid

Deuren gaan open en dicht aan weerszijden van de donkere toiletruimte in de onderbuik van Tuschinski. Ik sta in het midden van de ruimte in een rij, die zich parallel aan de deuren heeft opgesteld. Hierdoor ontstaat een snelle, hoekige en trefzekere choreografie van meisjes die uit de deuren tevoorschijn schieten en al even snel afgewisseld worden. Het klikken van sloten, het slaan van deuren, het trippelen en stampen van hakken en laarzen geeft een stevige soundtrack.

Mogelijk is mijn hoofd nog wazig van Inception, de film die ik net heb gezien, maar op deze zondagavond zijn alle bezoeksters van de wc’s rond de twintig en prachtig. Ze zijn gekleed alsof ze naar een feest gaan, en opgemaakt als voor een fotoshoot. Maar ze gingen met hun fantasiepanty’s en gevlochten, opgestoken haar in het donker zitten.

„Zag je dat hun handen oud waren toen ze op de rails gingen liggen?”

„Was dat nou in háár of zíjn droom?”

„Dat was toch de werkelijkheid?”

„Maar haar gezicht was toch nog jong?”

De stemmen glijden over de hoofden in de wc-ruimte. Ik probeer goed op te letten want ik heb het idee dat de meisjes die de wc-hokjes verlaten andere zijn dan die erin gingen. Of lijken ze allemaal op elkaar?

Zouden deze meisjes projecties zijn van mijn geest, zoals ze bestaan in Inception? Ik hoop het niet. Als ze aan mijn fantasie zijn ontsproten, zullen ze me – naar de wetten van het filmverhaal – gaan aankijken. Ze voelen dat ik ze heb bedacht. Ze gaan me voor de voeten lopen, als opmaat voor een uiteindelijke aanslag op mijn leven.

Het meisje vóór me doet een haast onmerkbare stap naar achter en steekt daarbij een naaldhak op mijn voet. Hinkend trek ik me terug in een wc-hokje en wens dat ik dit allemaal verzin.

Ik neurie een melodie – het eerste en waarschijnlijk het laatste liedje dat ik zelf heb verzonnen.

Op een dag hoorde ik, geheel tegen mijn aard in, een melodie in mijn hoofd. Eenvoudig, maar aanstekelijk. Ik probeerde hem uit op de piano. Het was mogelijk dat ik de muziek ergens eerder had gehoord, zo bekend klonk deze me in de oren. Zou dit ware inspiratie zijn geweest? Had een golf toevallig mijn hoofd bereikt? Ik schreef de muziek op en herhaalde de melodie tot de buren kwamen vragen of ik niets anders kon spelen.

’s Nachts droomde ik dat er een woedende componist aan mijn voeteneind stond die beweerde dat ik zijn melodie had gestolen. Hij stond te zwaaien met zijn partituur en zei te kunnen bewijzen dat híj de muziek had bedacht. Deze man was levensecht, al hield ik mijn ogen stijf dicht.

Zolang ik mijn ogen dicht hield, kon ik volhouden dat hij een droom was. Ik was bang dat hij er echt stond. Dat zou betekenen dat ik angstbeelden en de werkelijkheid niet meer van elkaar kon onderscheiden. Ik zou rijp zijn voor het gesticht.

Ik probeerde het getier van de componist te negeren. Schudde – nog steeds met mijn ogen dicht – mijn vriend wakker en vroeg hem te kijken of er iemand aan ons voeteneind stond.

Ik controleer het slot op de wc. Voor de zekerheid blijf ik zitten tot het gesis, gestamp en getrappel voorbij is.