De vrouw: meester van schepping

Herman Stevens: Vaderland. Prometheus,223 blz. € 19,95

Er gebeurt niet veel in Vaderland, de zesde roman van Herman Stevens. De 50-jarige hoofdpersoon Hugo van Loon leidt een kabbelend bestaan in een ‘over het paard getild kustplaatsje’. Hij schrijft elke week een column over wijn, werkt aan zijn zoveelste roman en is domweg gelukkig met zijn tien jaar jongere vrouw Loes.

Dit idyllische leventje wordt door elkaar geschud op het moment dat Loes aankondigt dat ze een kind wil. Dat leidt tot lange overpeinzingen van Hugo. Hij is eigenlijk zelf een kind gebleven, een terugdromend kind van vijftig, verklonken aan zijn jeugdherinneringen. Nu hij vader dreigt te worden, voelt hij zich een buitenstaander. Want in ‘vaderland’ draait alles om de moeder, mannen zijn van secundair belang: ‘Zij wilde een kind. En sinds ze dat verlangen had uitgesproken, was hij alleen. Vroeger waren ze met hun tweeën. Dat was genoeg. Nu was het te weinig. Hij was alleen. Hij werkte alleen. Hij dronk alleen en hij neukte alleen. Voor haar was het een kwestie van voortplanting geworden.’

Dit soort mijmeringen over de overbodigheid van de vader komen in vele varianten terug in Vaderland en het gekke is dat Stevens ze nergens problematiseert. Dat zijn hoofdpersoon er ook voor zou kunnen kiezen om een actieve rol op zich te nemen, lijkt niet echt een reële optie. Het is immers de natuur zelf die de man tot het tweede plan veroordeelt, ‘de vrouw was de meester van schepping, en de man hielp alleen een handje mee.’

Het meest tragische gegeven in de roman, dat Loes zich ontpopt tot een neurotische moeder die haar dochtertje geen moment uit het oog verliest, wordt op deze manier een stuk minder invoelbaar.

Af en toe weet Stevens de verstoorde verhouding tussen Hugo en Loes wel met een paar treffende zinnen te schetsen: ‘Als hij in haar ogen wilde kijken, diepblauwe edelstenen die hem al waren opgevallen voor ze in gesprek raakten, jaren terug, moest hij achter Simones stoeltje gaan staan en door zijn knieën zakken, tot hij op dezelfde hoogte kwam.’ De kracht van Stevens’ proza zit in dit soort schijnbaar eenvoudige zinnen, waarin hij achteloos het verleden aan het heden koppelt, en in een halve bladzijde een heel mensenleven kan overspannen.

In Vaderland dreigen de variaties op hetzelfde thema soms wat drammerig te worden, of quasi-inhoudelijk, zoals hier: ‘Hij kon altijd terugkijken en de lijn zien die hen op hun bestemming had gebracht. Zo wist hij nu zeker waar hij een jaar terug nog geen weet van had gehad. Zijn hele leven was een lange, bochtige weg die leidde naar het punt dat hij vader werd.’ Maar over het geheel genomen weet Stevens de clichés te vermijden, schildert hij meer in impressionistische tinten dan dat hij een afgerond verhaal vol concrete gebeurtenissen vertelt.

Stevens is een schrijver bij wie het niet zoveel uitmaakt wat het onderwerp is van zijn verhaal. Ook van een leeg leven weet hij nog een mooie schets te maken: ‘Zo bracht hij zijn dagen in stilte door. Er was eens een vogel tegen het raam aan geknald, maar toen hij buiten ging kijken, was er niets te zien. Het was alsof iemand met een reusachtige vinger tegen het raam had getikt, een waarschuwing dat de tijd niet stilstond, al leek het er veel op.’