Chinese yup ontdekt minderheden door pretparken

Themaparken van etnische minderheden zijn populair onder de Han-Chinese middenklasse. Ook Tibetaanse kloosters verdienen goed aan de nieuwe belangstelling.

Uitgeput smijten Zheng Li en zijn vriendin Yutian de mountainbikes in het kniehoge gras. Een Tibetaanse herdersjongen snelt toe en draagt hun waterdichte fietstassen naar een blauwwitte tent met verhoogde, houten bedden, stoof en elektrische verlichting. Een meisje in klederdracht serveert gezouten melkthee waarin een klont vette yakboter smelt, en schaaltjes zonnebloempitten.

Een vakantietafereel aan het Qinghai-meer. Het is een nieuw beeld in China, waar het massatoerisme volgens staatspersbureau Xinhua is uitgegroeid tot een markt van 250 miljard dollar die jaarlijks met meer dan 10 procent groeit.

De traditionele bestemmingen – Verboden Stad, Grote Muur, Westmeer bij Hangzhou en The Bund in Shanghai – worden jaarlijks uitgebreid met nieuwe reisdoelen in de provincies waar in de ogen van Han-Chinezen exotische minderheden wonen.

„Op deze nieuwe toeristenmarkt zijn vooral de Tibetaanse kloosters en de gebieden met minderheden hot ’’, zegt Zhao Li, directeur van de Toeristenacademie in Shanghai. China telt inmiddels 2.500 etnische themaparken, de musea en de kloosters met het keurmerk van de Chinese Federatie voor Toerisme meegerekend.

Kamperen in een Tibetaans tentenkamp of de hutten van de Miao en de Dai-minderheden, fietsen rondom het Qinghai-meer, kajakken in de bovenstoom van de Yangzi-rivier, wandelen of fietsen in de uitlopers van de Himalaya. De Chinese yuppen ontdekken hun eigen land.

Achter de tent van Zheng Li en Yutian grazen schapen en yaks. De econoom van de Bank of China in Peking en zijn vriendin, student aan de Londen School of Economics, hebben spectaculair uitzicht over het grootste binnenmeer van China, het Qinghaihu op de Tibetaanse hoogvlakte. Vijftien jaar geleden was dit nog verboden militair gebied. Basis 151 van het Volksleger was een geheime lokatie voor het testen van torpedo’s.

De vrienden van Zheng Li en Yutian hebben zich in de andere tenten geïnstalleerd. Dit is niet alleen de eerste, gezamenlijke vakantie van de twee, het is ook de eerste vakantie sinds de verplichte lagere- en middelbare-schooluitjes naar de geboorteplaatsen van het Chinese communisme. „We hadden nooit tijd, we moesten altijd naar zomerscholen en mijn ouders hadden ook het geld niet’’, vertelt Zheng Li.

De ouders van Yutian – zij geeft alleen deze naam – zijn wel vermogend, want anders zou zij niet in Engeland kunnen studeren, maar zij moest altijd „leren, leren en nog eens leren”. Vrolijk voegt zij toe: „En nu mag ik eindelijk een keer van het leven genieten.”

Dat doen steeds meer Chinezen die tot de middenklasse worden gerekend. Niet alleen de groeiende welvaart heeft dat mogelijk gemaakt, ook de infrastructurele ontsluiting van het zuid- en noordwesten van China. Vliegen naar deze binnenlandse bestemmingen is betaalbaar, treinen was al goedkoop. En een goedkoop, schoon bed vinden is in China nooit een probleem.

Zheng Li, Yutian en hun fietsende vrienden overnachten twee nachten in dit Tibetaanse tentenkamp, of althans een Chinese versie daarvan, want sommige tenten hebben ook airconditioning. Overmorgen hervatten zij hun toer van bijna 400 kilometer langs het Qinghai-meer op fietsen die een gemiddeld Chinees jaarloon waard zijn. Morgen bezoeken zij het Tibetaanse pretpark aan de rand van het meer.

Daar gaan zij yakrijden, boter karnen, wol spinnen en in een tempeltje geld achterlaten bij een van de talrijke goden. Zij zullen ook worden getrakteerd op volksdans en -muziek. Als ze willen kunnen zij een tochtje langs het meer maken in een golfkarretje of met een busje de herders bezoeken die op de hooggelegen graslanden over hun kuddes waken.

In andere provincies voltrekken zich vergelijkbare taferelen. Het Dai-park in Yunnan en het Miao-park op het eiland Hainan melden recordaantallen bezoekers. Bij de Tijgerkloof aan de Yangzi rijden bussen in files en de wegen naar het Shaolin-klooster in Henan zijn altijd vol. De befaamde kungfu-monniken van dit klooster hebben voor een zomerse rel gezorgd door de toegangsprijs te verdubbelen naar 30 euro per persoon. Een eerder plan om het klooster om te vormen tot een beursgenoteerde onderneming stuitte op veel verontwaardiging.

Het Tibetaanse park bij Basis 151 aan het Qinghai-meer wordt geëxploiteerd door een groot, beursgenoteerd toerismebedrijf. De plaatselijke leiding is Tibetaans, maar het management en de aandeelhouders zijn Han-Chinees. De aanpalende restaurants zijn van Tibetanen, net als de winkels. Lengcuqi, een Tibetaanse vrouw van 23 jaar, en haar man verdienen op het pretpark nog geen 400 euro per seizoen van vijf maanden. Zij maakt foto’s van toeristen, hij chauffeert een van de elektrische wagentjes. Zij hebben ook een bed&breakfast en kuddes schapen en yaks. Hun totale jaarinkomen bedraagt nog geen 750 euro. Zij is drie maanden zwanger, maar heeft geen geld om naar een dokter te gaan.

Haar oom daarentegen is een succesvol zakenman. Reqing (61) heeft een keten van winkels met Tibetaanse kledij, juwelen en kruiden. Hij rijdt in een zwarte Toyota Camry dankzij het Han-Chinese toerisme. „Het is waar dat de Chinese reisbureaus, hotels en restaurantketens hier veel geld verdienen, maar het toerisme is ook goed voor ons”, zegt Reqing, die geïnvesteerd heeft in een hotel dat door zijn dochters is opgezet. Van yaks alleen kan hij niet meer leven. Maar hij geeft toe dat de groep gewone Tibetanen die profiteren van het toerisme nog klein is.

Voor de kloosters is de Han-Chinese belangstelling een bonus. Vrijwel ieder klooster heft toegang. Het mag de belangstelling niet drukken. Het Ta’er-klooster bij Xining, de hoofdstad van de provincie Qinghai, heeft op een aangename augustusochtend meer weg van Disneyland in Californië: overvolle parkeerterreinen en lange rijen voor de kassa’s.

Meer ondernemende Chinese toeristen reizen door naar Tongren, dat in het Tibetaans Rebkong heet. Tijdens de rellen in de Tibetaanse gebieden, en vooral in Lhasa, werden hier 200 monniken gearresteerd, die pas na een jaar werden vrijgelaten. Er wapperde toen een Chinese vlag op de tempel, maar die is nu weg. De pleinen van het klooster zijn inmiddels betegeld, er zijn nieuwe tempels bijgekomen en de huisvesting lijkt te zijn verbeterd. In de tempels hebben de monniken de foto’s van de dalai lama weer een prominente plaats gegeven en geen Chinese toerist die daar moeilijk over doet. „We krijgen tegenwoordig een seintje als de politie op inspectie komt. Gewone Chinezen zijn zeer welkom, de politie mag wegblijven”, legt monnik Kalsang uit.

Bij het klooster hoort de Rebkong Kunstacademie, het wereldberoemde centrum van de Thangka-kunst. Thangka-schilder Shawo Tsetsen heeft net een drie meter breed schilderij afgemaakt over het leven van Boeddha. Besteld door een Chinese zakenman in Shenzhen. Kostprijs 18.000 euro.

De prijzen van kleinere doeken beginnen bij duizend euro. De academie met volleerde kunstenaars en schilders in opleiding – sommigen nog geen tien jaar oud – is een goudmijn voor het klooster en de fiscus dankzij de Chinese toeristen. „Chinezen zijn mijn beste klanten”, grijnst Shawo Tsetsen.