Bij de Ursulinen

Bergen heeft iets met mijn moeder te maken. Altijd als ik in Bergen ben, moet ik aan haar denken. Ze heeft er een belangrijke periode van haar leven doorgebracht. Geen periode waaraan ze prettige herinneringen bewaarde. Misschien dat ze zich er daarom weinig over uitte. Ze was zo iemand die traumatische ervaringen liever toedekte dan openlijk besprak.

Nijmegen, ook zoiets. Ze was er met haar gezin in de oorlogsjaren uit haar huis geëvacueerd. Toen ze eenmaal definitief verhuisd was, wilde ze nooit meer naar die straat in Nijmegen terug. Aan slechte herinneringen kon je immers toch niets meer veranderen.

Veertig jaar geleden logeerden we met mijn ouders in een gehuurde, kleine villa in Bergen, om precies te zijn in Bergen Binnen, het dorp zelf. Een dezer dagen ontdekte mijn vrouw als eerste (helaas) dat ons huidige hotel in dezelfde straat staat, slechts twee huizen er vandaan. Ze wees op enkele bijzonderheden en inderdaad, het kon niet missen, dit was het huis waarin we toen die vakantie hadden doorgebracht.

Hadden we destijds ook met mijn moeder de plek opgezocht waar ze een deel van haar jeugd had verbleven?

Vermoedelijk niet. Ze zou er wel weer weinig behoefte aan hebben gehad. Als Haarlems meisje van een jaar of vijftien werd ze door haar ouders in de jaren dertig naar het internaat in Bergen van de zusters Ursulinen gestuurd.

Het was een nare tijd voor haar, ze kon er niet aarden. Dat ze later als volwassene nog maar weinig aan het katholieke geloof hechtte, had zeker met die periode te maken.

Ze vond de sfeer in het internaat benepen en overdreven streng. Die eeuwige argwaan! De meisjes mochten er nooit getweeën wandelen, er moest altijd een toeziende non mee. Niet iedereen zal het zo ervaren hebben. Toevallig sprak ik deze week een vrouw die in de jaren vijftig – twintig jaar later dus – ook in dat internaat had gewoond. Haar herinneringen waren positiever.

Maar de indrukken van de dichteres Neeltje Maria Min, die in de jaren vijftig de lagere school van de Ursulinen bezocht, komen overeen met die van mijn moeder. „Altijd met grote weerzin naar de nonnen gegaan”, zei ze tegen Adriaan van Dis in het boek Hier scheen ’t geluk bereikbaar (over schrijvers in Bergen). „Vreselijk, vond ik het. Veel naar buiten gekeken en naar het kruis en de klok boven de deur en verder niet zo opgelet.”

Ik vroeg me af wat er nog van dat internaat was overgebleven. Vrijwel alle gebouwen waren omstreeks 1990 gesloopt, hoorde ik. Het was een gigantisch complex geweest, een dorpje in het dorp: een klooster, een kapel, scholen, een park (voor die wandelingen met z’n drieën) en een boomgaard. Er woonden 150 zusters, samen met 350 meisjes, in het internaat.

Het waren nog de rijke Roomse jaren geweest – zo rijk zouden ze nooit meer worden.

Aan de Loudelsweg kon ik nog maar één groot gebouw uit die periode vinden. Het was de landbouwhuishoudschool van de Ursulinen, waar nu het Roland Holst College, een Vrije School, in is gevestigd. De luister die het pand vroeger moet hebben bezeten, is verdwenen. Het ziet er onderkomen uit. Alleen een aardig torentje op het dak herinnert aan betere tijden.

Betere tijden? Ik hoor mijn moeder zuchten.