Alle terroristen weten het te vinden

Het enige dat bloeit in Jemen is de terreurindustrie, aldus een nuttige en levendige studie. De nieuwste generatie terroristen aldaar dreigt van zich te laten horen. Extremisten van verre strijken er ook graag neer.

Victoria Clark: Yemen, Dancing on the Heads of Snakes. Yale University Press, 311 blz. € 18,-

Midden op de dag vielen twintig met raketwerpers en machine- pistolen gewapende motorrijders afgelopen maand het hoofdbureau van politie en het kantoor van de politieke veiligheidsdienst aan in Zinjibar, in het zuiden van Jemen. De regionale Al-Qaeda-organisatie demonstreerde daarmee opnieuw haar assertiviteit. Vier weken eerder hadden leden van Al-Qaeda even openlijk het gezag uitgedaagd met een aanval op het hoofdkwartier van de politieke veiligheidsdienst in Aden.

De aanwezigheid van de terreurgroep Al- Qaeda was jarenlang geen onderwerp van grote zorg voor de regering van president Ali Abdullah Saleh. Het bewind had immers een informeel akkoord met de jihadisten. Als zij geen Jemenitische doelen aanvielen, zou de regering niet moeilijk doen over hun gewapende activiteit over de grenzen of zelfs tegen sommige buitenlandse doelen in Jemen. De nummer twee van president Salehs bewind en diens mogelijke opvolger, brigade-generaal Ali Muhsin al-Ahmar, regelde het transport van jonge Jemenieten naar de strijd in Irak na de Amerikaans-Britse invasie van 2003. In de jaren tachtig, zo schrijft de Britse journalist Victoria Clark, deed hij dat al even efficiënt richting Afghanistan, waar Jemenieten met duizenden tegen de Sovjet-bezetting vochten.

Maar de tijden zijn veranderd. De huidige generatie Al-Qaeda heeft geen boodschap meer aan het regime. Anders dan hun voorgangers zijn ze uit op de vernietiging van iedereen die niet denkt zoals zij en in hun optiek dus het ongelovige Westen vertegenwoordigt. Hun recente doelwitten reiken van buitenlandse toeristen in Jemen, de chef van het Saoedische antiterreurprogramma en een Amerikaans vliegtuig vol burgers tot en met de Jemenitische veiligheidsdiensten.

Jemen glijdt steeds sneller naar de afgrond. De shi’itische opstand in het noorden beleeft een gevechtspauze, maar niemand verwacht dat het bestand houdt. De separatistische beweging in het zuiden groeit. De grondwaterspiegel daalt twee meter per jaar, niettemin wordt veel water verspild aan de productie van qat, de plant waarvan de meeste Jemenieten de licht verdovende blaadjes gewend zijn te kauwen. Sana’a dreigt de eerste hoofdstad ter wereld te worden die zonder water komt te zitten.

En, het allerbelangrijkste, de staatskas raakt leeg. Bijna 80 procent van de staatsinkomsten komt uit olie, maar de olieproductie neemt snel af, van 450.000 vaten per dag in 2003 naar 180.000 nu, tegen een lagere prijs. De olieproductie zal afnemen tot nul tegen 2017. Dan heeft president Saleh geen geld meer om zijn vrienden te betalen en zijn vijanden af te kopen. In een land waar het staatsgezag nu al niet veel verder reikt dan de stadsgrenzen van Sana’a, zal het Al-Qaeda zijn dat ervan profiteert.

Victoria Clark heeft op het juiste moment een zeer nuttig en levendig boek geschreven over het slagveld dat Jemen altijd is geweest. Yemen, Dancing on the Head of Snakes, heeft ze het genoemd. De dans op de slangenkoppen is dertig jaar lang bekwaam uitgevoerd door president Saleh. Maar het is genoeg geweest. Nu is afkeer van zijn bewind het enige wat Jemen nog verenigt.

Clark, geboren in de toenmalige Britse kroonkolonie Aden als dochter van de correspondent van de BBC, heeft zich ten doel gesteld het westerse publiek de groei van het hedendaags jihadisme in de regio uit te leggen. De tribale verdeeldheid én gastvrijheid voor wie door de overheid wordt vervolgd, de armoede, het gezagsvacuüm, de verspreiding van moslimextremistische ideeën vanuit het machtige buurland Saoedi-Arabië, óók binnen de Jemenitische top, en vele andere factoren hebben Jemen al lang geleden bouwrijp gemaakt voor een bloeiende terreurindustrie. Voor veel westerlingen kwam de mislukte aanslag op het Amerikaanse passagiersvliegtuig bij Denver op 25 december 2009 door Al-Qaeda op het Arabisch schiereiland uit het niets. Maar het wachten is op een geslaagde aanslag vanuit Jemen.

Tariq al-Fadhli is een van de bekendste vertegenwoordigers van de eerste generatie jihadisten die in Afghanistan ging vechten, vriend van Osama bin Laden, neef van president Saleh en zwager van brigade-generaal Ali Muhsin al-Ahmar: zó dichtbij de macht. Fadhli – bij wie Clark in 2004 in een aangename sfeer ging lunchen en die zij in 2007 opnieuw ontmoette – is verder een typisch voorbeeld van die eerste generatie, die in ruil voor een nieuwe auto, lidmaatschap van de regeringspartij en een genereuze financiële uitkering van verdere extremistische activiteit afzag. Velen werden tewerkgesteld in de veiligheidsdienst, die daarmee een pro-jihadistische smaak kreeg – en die tot nu toe behield.

Vandaar de grote gevangenisuitbraak door Al-Qaeda-leden die onder Amerikaanse druk waren vastgezet, eerst in 2003 en vervolgens in 2006. Die laatste markeert het begin van de huidige fase van het jihadisme, waarin Al-Qaeda floreert onder het leiderschap van een van die ontsnapte gevangenen, Nasir al-Wahayshi, terwijl de autoriteiten machteloos toekijken. Jemen dient als toevluchtsoord voor buitenlandse moslimextremisten, niet alleen voor Saoedische terroristen na de fusie met de Al-Qaeda uit het buurland, maar uit de hele islamitische wereld. Stammen in de provincie beschermen hen, omdat de tribale wet gastvrijheid voorschrijft en ook omdat de gasten beter bij kas zijn dan de autoriteiten.

De enige – magere – geruststelling die Clark kan geven is dat de kans niet groot is dat Jemen ’s wereld eerste Al-Qaeda-staat zal worden als het bewind van president Saleh uiteindelijk bezwijkt. De rebellen in het noorden en de separatisten in het zuiden hebben waarschijnlijk nog minder op met Al-Qaeda dan met de regering.