Wolk van weetjes

Illustratie Floor de Goede

Brief aan mijn kleinzoon

(te openen in 2060)

Utrecht, 12 augustus 2010

De kans is groot dat jouw geschiedenisleraar in 2060 de krant die ik vandaag lees aan jouw klas voorlegt als geinig authentiek bronnenmateriaal. In dat geval lijkt het me verstandig dat ik je iets vertel over hoe nieuws gemaakt werd, in mijn tijd. Misschien kun je hem vertellen dat ik, jouw oma, met enige regelmaat door journalisten werd gebeld met de vraag of ik ‘nog iets had’. En dan bedoelden ze niet platjes of andere seksueel overdraagbare aandoeningen (hoewel, daar had ik ze erg gelukkig mee kunnen maken), maar een nieuwsfeit. Een dingetje. Een plannetje, een relletje, iets om een berichtje van te maken.

Even voor de goede orde, Oma was geen wetenschapper die ieder moment een doorbraak in de zoektocht naar een geneesmiddel tegen kanker teweeg zou kunnen brengen. Oma was ook geen beroemd schrijver van wie de wereld al jaren de opvolger verwachtte van haar Nobelprijswinnende roman. Oma was zelfs niet betrokken bij de drieënhalf jaar durende formatie van het eerste kabinet Paars-plus-PVV. Die journalisten belden Oma dan ook niet omdat zij nou zo belangrijk was, maar omdat het nieuws zo belangrijk was geworden dat het niet meer uitmaakte waar het over ging.

„Hier volgt de radionieuwsdienst verzorgd door het ANP”, klonk het toen Oma klein was altijd plechtig voor het radiojournaal begon. Dan kwamen de piepjes en dan mijn vader die Sssst! siste, want het nieuws was Heel Erg Bijzonder. Het ANP, dat was een instituut met een status vergelijkbaar met die van de koningin of Sinterklaas – in mijn kinderhoofd het hoogste haalbare. Vandaag de dag (dus vijftig jaar geleden, voor jou) weet ik van vrienden die er werken dat zelfs het ANP is verslonden door het monster van de marktwerking. „We moeten nou eenmaal tien shownieuwsberichten per dag aanleveren”, vertelde een medewerkster me. „Daar is nu een hele grote markt voor. Anders zijn de kranten bang dat ze adverteerders kwijtraken. Heb je echt niks? Geen boek, geen plaat ofzo?” Iets was geen nieuws omdat het nieuws was, leerde Oma. Iets was nieuws omdat mensen het graag wilden horen.

Hoe moest dat arme ouwe ANP ook nog het hoofd boven water houden? Vandaag vond ik tussen de stapels verdomd interessante achterstallige weekendbijlagen een blad (ik zal het voor je bewaren, anders geloof je me later misschien niet) met daarin de volgende uitspraak van een vriendelijke volkszanger: „Ik ben niet zo’n krantenlezer. Maar als ik naar Boulevard of Shownieuws kijk, ontgaat mij toch niets van het nieuws.”

Boulevard en Shownieuws, dat waren programma’s over mensen die bekend waren, bijvoorbeeld omdat ze konden zingen, of acteren, of getrouwd waren met een voetballer. En daar was veel nieuws over jongen, over die mensen! Meestal zaten ze vrijwillig in een filmpje waarin ze spraken over hun nieuwe tv-programma, aanstaande huwelijk of vlekkeloos vriendschappelijk verlopen echtscheiding. Soms zaten ze ook ongevraagd in een filmpje. Dan had een of andere laagschedelige ze stiekem gesnapt met z’n mobieltje terwijl ze in een cafeetje zaten te snavelen met iemand die niet hun verkering was. Of je zag ze op beelden van een beveiligingscamera – met een rugtas vol oud-Volendamse servetringen en heel dure dekbedovertrekken – met een voetballer staan kopkluiven in een parkeergarage.

Kennelijk vond de geüniformeerde eencellige die de beelden van de beveiligingscamera moest analyseren het dermate gevaarlijk als er daar hartstochtelijk gezoend werd (of misschien slecht voor de lak, dat geschuur met zo’n fijne strakgespijkerbroekte derrière tegen de motorkap) dat hij de beelden doorspeelde aan een showbizzprogramma. Dat was niet zo netjes, sterker nog, het was illegaal. Toch zond het programma de beelden uit, want, zo getuigde de presentator desgevraagd in een interview: „Ik vind die beelden persoonlijk ook te ver gaan. Maar de kijker verwacht dat van ons.”

Die opmerking was naast fout na de oorlog („Ik wil dit niet, maar het wordt van mij verwacht”) ook wel een beetje waar. Wij wilden dit toch zien? Wij keken toch? Mensen die zeiden dat het „allemaal de schuld van de media was”, deden Oma vaak denken aan een dame die in een bontjas stond te demonstreren tegen de nertsenfokkerij.

We deden er allemaal aan mee. Oma ook. Het nieuws dat ik niet wilde horen was bijna even moeilijk te weerstaan als het zakje M&M’s in mijn bureaula. Als je weet dat het er ligt, wil je het hebben. En zelfs al wilde ik de beelden van de zoenende voetballer niet zien, en al helemaal niet het gesprekje lezen met het arme jongetje dat als enige een vliegramp overleefde; er was geen ontkomen aan. Zelfs wanneer ik alle media die het nieuws brachten vermeed, las ik er alsnog over in de media die vonden dat ze iets van die media moesten vinden. Zelfs als ik alle internetfilmpjes wegklikte, zag ik de beelden nog in programma’s die er eigenlijk te chic voor waren maar het toch even moesten laten zien ter illustratie van een kritisch gesprek over de wildgroei van de media.

Hoe kon het ook iets anders voortbrengen dan wildgroei, de enorme wolk van weten die we iedere dag maar weer gevuld wilden zien met iets nieuws? Ooit – jij zult het je niet meer kunnen voorstellen jongen – bestond er nog geen internet. En er was wel televisie, maar niet continu. Oma zat toen ze klein was vaak naar het testbeeld te kijken, in afwachting van een fijne woensdagmiddag vol handpoppen en andere kinderpret. Testbeeld, en dan een klok die, schijnbaar analoog, de secondes aftikte tot er weer wat op tv kwam. Nu, in Oma’s tijd, is er altijd iets op televisie. En anders kruip je achter je computer. Oma kan nu wel heel hautain gaan doen over die eeuwige nieuwshonger, maar als er iemand aan informatie-obesitas leed was het Oma wel. Voortdurend keek ze op nieuwssites, blogs, Twitter, alles om maar niets te missen van wat er nú aan de hand was.

Waarom? Ik weet het niet jongen.

Misschien om gerustgesteld te worden. Toen ik op de avond van 11 september 2001 ging slapen had ik geen twee, maar wel tweehonderd vliegtuigen in de Twin Towers zien vliegen. Steeds weer die beelden, een half uur, een dag, een jaar later nog steeds even onvoorstelbaar en daarom hypnotiserend. We bleven kijken. Het leek alsof we er meer grip op kregen als we er maar zoveel mogelijk vanaf wisten. In werkelijkheid wisten we natuurlijk nog helemaal niets – wie het gedaan had, waarom, en al helemaal niet dat het een wereldwijd conflict blootlegde dat tot in jouw tijd zou duren.

Misschien hadden we daarom ook wel zo’n belangstelling voor bruiloften en echtscheidingen, affaires en liefdesbaby’s. Het hielp ons de dag door. Het herinnerde ons eraan dat de anderen net zo gewoon waren als wij. Het gaf ons het gevoel dat we niet alleen waren. Het stelde ons gerust.

Al die zenders, al die kranten en dat hele eindeloze wereldwijde web dat elke dag maar vol moest. Dat kon helemaal niet, maar toch probeerden we uit alle macht de hele wolk met weten te vullen. Zoveel nieuws was er helemaal niet, en daardoor leek het wel altijd komkommertijd.

Tot Al-Qaeda in 2021 de Grote Internet Meltdown wist te realiseren dan. Daarna moesten we weer als monniken met pen en papier in de weer. En omdat dat zoveel moeite was, meldden we alleen nog maar wat we echt nodig vonden.

Zoals dit, lieve jongen.

Ik hou van je.